'Doordat mijn zus zich uithongerde verwijderde ze zich keurig uit de geschiedenis.'

Foto: Frank Ruiter

‘Met haar uithongering verwijderde mijn zus zich uit de geschiedenis’

Manon Uphoff In de nieuwe roman van Manon Uphoff staan nergens de woorden waar de roman over gaat: seksueel misbruik en incest. ‘Ik heb alles in de hens gestoken’

De Minotaurus leidt een meisje zijn labyrint in, in de nieuwe roman Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Het meisje betreedt een rijke wereld, waar ze kennismaakt met dat wat het leven mooi maakt: kunst, cultuur, literatuur, kennis, wetenschap. Schoonheid, verbeelding. Maar de Minotaurus, half beest en half mens, heeft haar in zijn macht en kan daarom ook met haar doen wat hij wil. Hij verleidde haar, dus bezit hij haar.

Zonder te weten waarin je verstrikt raakt, word je ook als lezer van de roman verleid door de precieuze zinnen en aantrekkelijke beschrijvingen. En word je óók getuige van wat je niet had willen zien. Verpletterend aan de roman is dat wat schrijnt tegelijk grote schoonheid heeft.

Het meisje dat het verhaal vertelt heet ‘ondergetekende’ – en op het omslag staat de naam van Manon Uphoff. Het is een literaire constructie: de Minotaurus is haar vader, zijn labyrint is zijn invloedssfeer. Maar nergens in de roman staan die woorden die zo vaak gebruikt worden om machtsmisbruik te concretiseren: seksueel misbruik, incest. Die voldoen niet, dat zijn simplificaties.

Manon Uphoff (1962) maakt er geen geheim van dat haar leven de noodzaak opwierp om deze roman te schrijven. „Deze gebeurtenissen zijn taboe in onze samenleving. Ze mogen er niet zijn, we keren ons ervan af. Dat betekent dat ook de woorden ervoor taboe worden. Als je dat probeert open te breken, omdat je er toch over moet spreken, merk je dat er voor deze ervaringen maar zó’n beperkt vocabulaire is. Hoe kun je over deze zaken schrijven vanuit een ander perspectief? Zonder op je knieën en ellebogen aan te komen kruipen, van: kijk eens wat een droevige geschiedenis ik kom brengen. Hoe kom je kráchtig dat terrein in?”

Uphoff moest dat onderzoeken. Ook al was haar weerzin tegen autobiografische verhalen groot. „Een van de redenen daarvoor is praktisch: de mensen in je omgeving kunnen not amused zijn door wat je schrijft – in die zin is autobiografisch schrijven gevaarlijk. Iets anders is de lage status van de autobiografische vertelling in de Nederlandse literatuur, zeker als die door een vrouw geschreven is. In mijn beginjaren merkte ik hoe moeilijk ik het vond om me schrijvend een ‘ik’ toe te eigenen, zoals mannelijke auteurs dat wel lukte: de standaard was de man.” Zij werd geplaagd door een zeurstemmetje: wie denk jij wel dat je bent? „Het voelde alsof mijn ‘ik’ nooit belangrijk genoeg zou worden, altijd maar een particuliere stem zou blijven, nooit méér zou omvatten. Terwijl het mijn ambitie was om verhalen te vertellen die bijgezet konden worden in de grote bibliotheek van de menselijke ervaring. Zo zie ik de literatuur: als de weerslag van wat de mensen hebben meegemaakt, bedacht, overdacht en doorgrond, en op de allerbeste manier vastgelegd. In die bibliotheek kwam mijn verhaal niet in de schappen. Want niet de algemeen menselijke ervaring. Want een vrouw.”

En dan betrof het nu ook nog een onderwerp waar nauwelijks een krachtig verhaal over te vertellen valt?

„Ja, dat was een enorme worsteling, om voor dit onderwerp een krachtige verbeelding te vinden die het persoonlijke overstijgt, waarin er rijkdom is van taal en vorm en beelden. Maar ik dacht: als ik als schrijver nog iets wil kunnen zijn, moet ik die zoektocht maken. Anders zijn er geen passende woorden voor mijn ervaringen. Als die woorden er niet zijn, is het alsof de ervaringen er niet zijn. Dan is er geen taal voor wat ik ben.”

Dat je er toch over bent gaan schrijven, is dat omdat de herinneringen zich sterker opdrongen?

„Ze zijn er altijd geweest, maar ik had ze gekooid, ingekapseld, om te kunnen bestaan – en te kunnen schrijven. Op geen enkele plek in mijn leven was er ruimte voor. Ik beschrijf in het boek de onrust die ontbrandt als een oudere zus van de verteller, die hetzelfde heeft meegemaakt als zij, zich zwijgend heeft uitgehongerd en zich dus keurig netjes uit de geschiedenis heeft verwijderd. Dat was, daar hoef ik geen geheim van te maken, mijn zus. Toen dacht ik: zo vergaat het mij als ik mijn mond houd. Dit is dus wat er gebeurt als mensen zich uit de geschiedenis laten drukken, zonder verzet, zonder klacht.”

Vorig jaar overleed de ‘vergeten’ zus van schrijfster Manon Uphoff. De razernij die in haar ontstak is sindsdien blijven branden als een fornuis. Lees ook: Mijn zus, mijn levende nachtmerrie

Wat deed dat vuur oplaaien? Een soort menselijke plicht om dit te vertellen?

„Enorme, enorme, enorme woede. Dat dit kan, dat we mijn zus definitief tot zwijgen hadden geholpen. Want het erge is: ik had mezelf al van dat verhaal, van die geschiedenis en dus van haar gedistantieerd. Maar dat geldt ook in breder maatschappelijk verband: niemand wil degene zijn die een klont met shit en ellende achter zich aanzeult, niemand wil diegene kennen.”

Wie over seksueel misbruik vertelt, wordt in het zwarte gat van het slachtofferverhaal gezogen?

„Slachtofferschap is de identiteit die je wordt aangemeten – en die je dan vaak ook accepteert, want een identiteit hebben is beter dan niets zijn. Maar dan wordt gezegd: slachtofferrol. Daarin, is de consensus, mogen slachtoffers niet eeuwig blijven hangen, je moet jezelf daaraan ontworstelen. Dat betekent eigenlijk: je moet eromheen leven. Maar zo geïsoleerd is het niet, machtsmisbruik vertakt zich. Van wie dat ondervonden heeft moeten we accepteren dat het verschrikkelijk was én vormend. Maar zulke acceptatie is veel gemakkelijker wanneer iemands been is afgerukt.”

Die persoon is méér dan ‘diegene zonder been’?

„Ja, terwijl we degene met mentale verwondingen veel dwingender in dat licht blijven bezien. Niet uit kwade opzet, maar slachtoffers voelen zelf dan ook afkeer van hun beschadiging en accepteren daarom moeilijk dat dat deel is van wie ze zijn.”

Er viel iets op zijn plek bij Uphoff, toen ze de witte A4’tjes die ze voldroedelde met een blauwe BIC-pen eens goed bekeek. Simpele herhalingen, bewegingen, gedachteloos neergepend – maar er waren vormen ontstaan. „Alsof we een diep instinct hebben om naar vormen te zoeken.” Ze maakte er fotootjes van en paste een simpel effectje toe: ze zette ze in negatief. Ineens zag ze een soort sterrenhemel, „het verduiveld schitterendste goud dat er maar te bedenken is”. Ze „júbelde”. Er was een organisch, esthetisch geheel ontstaan uit de onderdelen, of dat nu planten, leestekens, geslachtsdelen, monstertjes of ondefinieerbare vormpjes waren.

Dat betekende iets, vond ze: dat dingen die ogenschijnlijk niet verbonden zijn, bij elkaar kunnen staan. „Hilarische momenten naast onaangename ervaringen, schoonheid naast afzichtelijkheid en walging naast troost naast tragedie. Ik hoefde niet te kiezen, hoefde mijn verhaal niet te vertellen in één toonsoort.”

Vallen is als vliegen werd een rijkgeschakeerd boek, een stilistische sterrenhemel. „Ik wist: ik moet al mijn vermogens aanwenden. Maar eigenlijk voelde dat geen moment als een keuze.” De verteller in het boek is genuanceerd, ambivalent. Tenslotte was de wereld van haar jeugd, zegt Uphoff, óók een „grandioos universum”.

„Dat deel van het boek was ook, eh, letterlijk verpletterend. Ik kreeg een dijk van een hernia met een zenuwontsteking, ik lag een halfjaar plat op de grond met gierende pijn.”

Dat wijt je aan het schrijven?

„De gelijktijdigheid was opvallend, op z’n minst. Eén van de moeilijkste dingen was om die stem in dit boek, die van mij is, eerlijk te laten zijn over de pijn van de loyaliteit aan dat wat niet slecht was. De schitterende, fascinerende dingen uit mijn jeugd. Als ik mijn jeugd volledig besmeur of uitdrijf, vernietig ik alles wat mij heeft opgebouwd. Dat is suïcide: stem weg, taal weg, lijf weg, alles weg. Geen boek. Zo zou ik ook de werelden van mijn broers en zussen kunnen vernietigen, die thuis hetzelfde hebben meegemaakt.”

Je moest dus vooral eerlijk zijn, ook als dat relativering betekende.

„En vernietiging. Ik moest tegen mijn broers en zussen zeggen: kijk, nu gaat deze stem spreken, of jullie het leuk vinden of niet. Ik steek alles in de hens. Dat was pijnlijk, ook voor hen.”

Hoe kijk je naar wat er gebeurde met Griet Op de Beeck, die gewantrouwd werd toen ze vertelde over het seksuele geweld in haar verleden?

„Die reacties waren vreselijk. Je gaat op het ongemak zitten en het mag meteen niet waar zijn, kán niet waar zijn. Het ongewenste verhaal wordt teruggeduwd.”

Haar woede vlamt op: „Welke wereld is dat, waarin er generaties lang sprake kan zijn van misbruik in gezinsverband? Waarom onderzoeken we dat niet? Ik ben, met mijn ervaringen, inmiddels wel benieuwd: waar komt dat vandaan, dat zoveel mensen God willen spelen in hun eigen gezin? Waarom kunnen deze vaders niet zeggen dat ze hunkeren naar liefde en aanraking en aandacht, maar moet dat gepákt worden? Ik denk dat de literatuur een goede plek is om dat te onderzoeken, door het verhaal volledig te vertellen, met alle vragen en weerzin die het oproept. Dat was mijn inzet.”

Lees ook: Hard bewijs ontbreekt en dat knaagt nog, ook bij Griet Op de Beeck zelf

Wordt de wereld ontvankelijker voor tegenverhalen, bijvoorbeeld dankzij #MeToo?

„Het wordt steeds moeilijker om verhalen over seksuele grensoverschrijding en machtsmisbruik terzijde te schuiven. Ze werden altijd afgedaan als incidenten. Klein gemaakt. Versplinterd, vergruisd, tot ze verdwenen. #MeToo heeft laten zien: er zijn zóveel van dit soort splinters, die vormen samen wel een heel grote spiegel waarin de wereld eens moet kijken.”

Je blijft onderscheid maken tussen jezelf en de verteller in de roman. Waarom hecht je daaraan?

„Omdat de verteller meer mogelijkheden heeft dan ik. De stem in dit boek kan ongebreideld woedend zijn, taal laten vonken, vernietigen en wraak nemen, zeggen: dit verhaal hoort bij de geschiedenis. Ze kan méér dan ik als persoon kan. In de literatuur kan ik ruimte scheppen die er anders niet zou zijn. De roman biedt de ruimte voor de verhalen waarmee we niet zo gemakkelijk bij de buren op de koffie kunnen.”