Recensie

Recensie Theater

Denderende woede in Percevals stuk over Belgisch Congo

In het eerste van een drieluik van toneelstukken over het verdriet van België focust Luc Perceval op het koloniale verleden in Congo. De zwarte personages raken, onbedoeld, theatraal wat op de achtergrond.

Sadisme en willekeur in Black.The Sorrows of Belgium: Congo
Sadisme en willekeur in Black.The Sorrows of Belgium: Congo Foto Michiel Devijver
    • Joyce Roodnat

Het begint met ‘You Gotta Move’ van de The Rolling Stones en het komt uit op de evergreen ‘The Lion Sleeps Tonight’. Theatermaker Luk Perceval onderheit in zijn voorstelling Black.The Sorrows of Belgium: Congo de in gruwel losgeslagen verhoudingen met koortsachtige Afrikaanse tableaux dansants van vier witte en de vier zwarte personages. Daartussenin nodigt hij België uit tot peilloze schaamte over de koloniale verkrachting van Congo door de Belgen, waarbij ze zich voedden met en gelegitimeerd wisten door het voorbeeld van koning Leopold II die heel Congo zag als zijn persoonlijke wingewest en de Congolezen als redeloze dieren.

Met deze voorstelling levert Luk Perceval deel 1 af van een trilogie die hij The Sorrows of Belgium noemt, een titel waarin Het verdriet van België resoneert, Hugo Claus’ roman over Vlaamse collaboratie. Hij vernoemt de delen naar de kleuren van de Belgische vlag, zwart-geel-rood. Na Black, over de exploitatie van Congo, zal Yellow gaan over België in de Tweede Wereldoorlog en Red over de terroristische aanslagen in Brussel. Voor Black bedient Perceval zich van een collage van tekstfragmenten, variërend van James Baldwin en het Vlaams racisme van Jef Geeraerts tot vertrouwde zwaargewichten als Sartre, Conrad en Shakespeare. Wat er in dit stuk gebeurt is even fragmentarisch. Perceval wordt gedreven door razernij en het is niet zijn bedoeling die te verdoezelen. Een sluitend verhaal bestaat niet, alleen willekeur. Melancholie en relativering staat hij zichzelf en de acteurs niet toe, het publiek krijgt geen vluchtweg via een verhaal. Er is chaos en willekeur. Alleen een tropische regenstorm brengt rust. Voor de personages die voor één keer eensgezind wachten tot het droog wordt, voor het publiek dat op adem komt bij een levende foto van licht en water. In denderende scènes betrapt Perceval het katholieke geloof en het racisme als perverse natuurlijke partners. Maar hoeveel gebeuk kun je hebben? Gaandeweg voelen sommige teksten als preekjes, zoals de passage over de benaming ‘L’Afrique’. Dat is een door Europeanen bedachte term die het gekoloniseerde werelddeel opgeplakt kreeg en voor de inwoners niks betekende. Dit inzicht van verbale overheersing is aanleiding voor een langdradig prozagedicht en in de zaal begin je de schande gaandeweg wat overdreven te vinden, zeker vergeleken bij wat je verder te verstouwen krijgt aan liederlijk sadisme. Kern van Black is een historische Afro-Amerikaan die als missionaris in Belgisch Congo belandde. Nganji Mutiri speelt hem mooi, maar hij heeft weinig kans om zich te profileren. De man is zwart en verbijsterd, niet veel meer. Dan kun je beter Tom Dewispelaere zijn en een flamboyant wrede koloniaal mogen spelen. Het point of view in Black ligt bij de Belgische heersende klasse. Dat klopt want dat echoot de verhoudingen. Maar het doet ook snakken naar een verschuiving richting de Congolese personages. Vooral de zwarte vrouwen, die het nog eens extra te verduren krijgen omdat ze per definitie zijn onderworpen aan seksueel geweld, ontbreekt het aan reliëf. Perceval zet de zwarte acteurs theatraal op achterstand. Dat kon zijn bedoeling niet zijn. Maar het gebeurt.