Het National Museum of Qatar, een ontwerp van Jean Nouvel, opent deze maand in Doha.

Foto Iwan Baan

Wereldwijd is het museum in opmars, vooral in de Golfstaten

Essay Wim Pijbes signaleert dat het bij nieuwe musea steeds minder belangrijk is wat er te zien is. Het gaat vooral om een verrassend verhaal en gedeelde beleving.

In de afgelopen twintig jaar zijn meer kunstmusea gebouwd dan in de twee eeuwen daarvoor. Wat verklaart het wereldwijde succes van die nieuwe generatie musea? En hoe kan het dat een meer dan tweehonderd jaar oud instituut wereldwijd steeds nieuwe groepen publiek aanspreekt?

Wie de laatste ontwikkelingen van het nieuwe museum wil volgen moet op wereldreis. Het oude Europa is weliswaar het vertrekpunt, de route voert tegenwoordig langs alle continenten. En voor de laatste stand en recente hoogtepunten is een tussenstop in de Perzische Golf onontbeerlijk. Hier verrijzen in korte tijd achter elkaar spectaculaire culturele bouwwerken, het een nog opzienbarender dan het ander. Abu Dhabi, Dubai en Qatar lijken in een onderlinge competitie wie het meest spraakmakende museum levert.

Mogelijk gemaakt door overvloedige gasdollars zette de jonge Golfstaat Qatar in 2008 de toon met het Museum of Islamic Art, ontworpen door de architect I.M. Pei. Hij was de ontwerper van de glazen entree-piramide van het Louvre. Aanvankelijk omstreden, maar na dertig jaar omarmd door bezoekers uit alle windstreken, die van het Louvre het drukstbezochte museum ter wereld maakten (10 miljoen in 2018).

De ambities voor het museum in Qatar doen daar niet voor onder. Omgeven door water lonkt het gebouw de bezoekers in de blakende zon naar een kunstmatig crèmekleurig zandstenen eiland. De geometrische vormen, typerend voor het handschrift van Pei, en de geheimzinnig gesloten volumes zijn geïnspireerd op de eeuwenoude Ibn Tulun-moskee in Kairo. Pei vertaalde de strenge symmetrie, de maatvoering en de koepel naar een 21ste-eeuws museumgebouw, dat ongeëvenaard is in de wereld. Niet alleen wat betreft architectuur, maar ook wat betreft ambitie en de korte tijd waarin het, inclusief collectie, tot stand is gebracht.

Het National Museum of Qatar.Foto Iwan Baan

Naast de eigen verzameling laat Museum of Islamic Art regelmatig internationale wisseltentoonstellingen zien. In dat kader toonde het Rijksmuseum ten tijde van het koninklijk bezoek in 2011 een overzicht Hollandse meesterwerken en verscheen bij deze gelegenheid voor het eerst een catalogus over de Hollandse Gouden Eeuw in het Arabisch. Dankzij de schier onuitputtelijke aankoopmiddelen groeide de eigen collectie van het MIA in korte tijd uit tot een verzameling islamitische kunst van wereldniveau. Aan ambitie geen gebrek, en aan fondsen evenmin. De regerende al-Thani-familie investeert fors in cultuur. Naast culturele centra, ontworpen door onder anderen Rem Koolhaas en Arata Isozaki, opende vorig jaar de Qatar National Library, eveneens van Rem Koolhaas.

Lees ook een interview uit 2014 met Jean Paul Engelen, directeur van de Qatar Museums Authority: In Qatar kan meer dan vaak wordt gedacht

En deze maand opent een nog veel groter instituut, het National Museum of Qatar. Ook hier een ster-architect, Jean Nouvel, en ook nu weer een iconisch gebouw dat in schaal en vorm onvergelijkbaar is met alles wat hiervoor gebouwd is. Gebaseerd op de lokale woestijnroos, zoals de bloemvormige zandkristallen heten die ontstaan waar grondwater in de woestijn aan de oppervlakte komt, ontwierp Nouvel een megalomaan museum. Het hele complex beslaat maar liefst 170.000 m2, inclusief oosterse geurtuinen en weelderige parkaanleg. (Ter vergelijking: het Louvre telt 160.000 m2, het Rijksmuseum 30.000.) De bezoeker wandelt hier anderhalve kilometer door de geschiedenis van Qatar om in het heden te eindigen. De vraag dringt zich op wat kleine landen als Qatar drijft om op deze schaal dit soort grote musea te bouwen.

Universeel fenomeen

Alles wijst erop dat landen die door economische voorspoed het zich kunnen veroorloven nu aan de beurt zijn. In het negentiende-eeuwse Europa werden musea gesticht om de nationale identiteiten te accentueren en datzelfde zien we nu in het Midden-Oosten, Azië en Afrika gebeuren. Als symbool van optimisme en zelfbewustzijn, als uitdrukking of bevestiging van patriottisme, als teken van macht, na-ijver of misschien zelfs superioriteit, is het museum het ideale gebouwtype. Dat was in de negentiende eeuw niet anders dan tegenwoordig. Net als toen spelen nationale sentimenten een belangrijke rol, soms zelfs schaamteloos. Zo kopte de progressieve New York Times paginabreed ter gelegenheid van de opening van het nieuwe Whitney Museum in 2015: Made for America: The new Whitney en het artikel begint in de papieren editie met „The museum’s new home will be devoted to seeking the soul of country’s art”. De Financial Times vatte de stemming in Madrid bij de heropening van het Prado in 2007 samen als ‘Madrileño Pride’. En recent opende in Kaapstad het Zeitz Museum of Contemporary African Art (MOCAA) waar onder meer de collectie van Jochen Zeitz, de voormalige topman van Puma, wordt ondergebracht. Deze indrukwekkende voormalige graansilo uit 1921 afficheert zich als: „the new icon for the city and a beacon for the country”. Hier wordt op een eigentijdse wijze invulling gegeven aan het aloude fenomeen nationaal museum. Wat opvalt in het Midden-Oosten, Azië en Afrika is dat het aloude museum overal geadopteerd is als een universeel geaccepteerd fenomeen.

Het Museum of Islamic Art in Doha, Qatar.

Foto Jeroen Pels/Getty Images

Laat ik die observatie meteen toelichten. Het museum is inderdaad in grote lijnen over de hele wereld hetzelfde. En dat maakt dat in welke vreemde stad u ook bent, u in ieder museum altijd vrij eenvoudig de weg kent. Het museum voldoet over het algemeen aan de verwachtingen, de gedragscodes zijn wereldwijd dezelfde. De kwaliteit en authenticiteit van het gebodene is gegarandeerd door experts, conservatoren. Daarmee zijn musea gestandaardiseerde eilanden van veilige verwachtingen.

Spektakelarchitectuur

Dat uitgerekend een als statisch bekendstaand instituut een nieuwe dynamiek kan losmaken, bleek voor het eerst met de opening van het Guggenheim Museum in 1997 in Bilbao. Er wordt zelfs gesproken van het Guggenheim-effect. Hiermee worden de enorme aandacht en aantrekkingskracht bedoeld die het nieuwe museum losmaakte voor de slaperige industriestad Bilbao in Noord-Spanje. Voorheen beslist geen toeristenbestemming, maar sinds de opening van het Guggenheim uitgegroeid tot een aantrekkelijke citytrip. En zo werd een lelijk eendje als Bilbao ineens een bestemming van jewelste.

Jaarlijks trekt het Bilbao Guggenheim een miljoen bezoekers. Het door Frank Gehry ontworpen, letterlijk schitterend beklede gebouw geldt sindsdien als de moeder van de iconische gebouwen. ‘Iconisch’ niet alleen vanwege de vorm, maar ook om het sindsdien gewenste kaliber architecten voor de nieuwe generatie musea aan te duiden. Voor deze spektakelarchitectuur geldt het abnormale als de nieuwe norm. En wanneer geld geen rol speelt, de keuze van bouwmaterialen niet uitmaakt (bladgoud gecombineerd met golfplaat, zoals bij de Fondazione Prada in Milaan) en architecten door geavanceerde computerprogramma’s in staat zijn om de wildste vormen te ontwerpen, ontstaan gebouwen zoals we die nu in Doha, Dubai en Abu Dhabi zien.

Franchisen

Waar in Qatar de regerende al-Thani-familie met het stichten van musea, een bibliotheek, een universiteit, ziekenhuizen en in 2022 het WK voetbal er alles aan doet om een volwaardig land te bouwen, spelen in het geval van Dubai en Abu Dhabi vooral toeristische en economische motieven een rol. Meest in het oog springend is het Louvre Abu Dhabi, ook een ontwerp van Jean Nouvel. In 2007 werd voor de periode van 30 jaar het gebruik van de naam Louvre, de expertise en het lenen uit de collectie door de Franse staat aan de Golfstaat geleased voor naar verluidt een miljard euro. Critici hekelen nog altijd dat de transactie deel uitmaakte van Franse wapenleveranties, wat slechts ten dele waar is. Deze kritiek voert terug op het ontstaan van de Emiraten die pas in december 1971 een zelfstandig land werden. In de jaren negentig ontstond hier het zogenaamde Offset Program Bureau (OPB) waarin de bijdragen werden gestort die buitenlandse landen verplicht waren te betalen wanneer er wapens werden verkocht aan de nog jonge Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Na de dood van sjeik Zayed bin Sultan al Nahyan, de oprichter van de VAE, kreeg zijn zoon, sjeik Mohammed, de beschikking over dit fonds waarmee hij in 2002 het Mubadala investeringsfonds startte. In de crisis van 2009 verkocht de Abu Dhabi Tourist Board de ontwikkelrechten van Saadiyat Island en de hier geplande musea aan Mubadala. Hierdoor ontstond indirect de connectie met de wapentransacties uit het verleden.

Het Louvre Abu Dhabi.Foto Hamad I Mohammed/REUTERS

Er klinkt overigens meer kritiek. Wij leven in een wereld waarin musea hun naam en collecties franchisen: het Bilbao Guggenheim, het Louvre Abu Dhabi, het Centre Pompidou Brussel. Boze tongen spreken van een 21ste-eeuwse vorm van cultureel imperialisme. Vooral de Franse pers reageert fel, vergelijkbaar met de vijandige toon eind jaren tachtig toen de Chinees-Amerikaan Pei de nieuwe entree van het Louvre mocht bouwen.

Het Saadiyat eiland is de locatie waar voor de komende jaren verschillende musea zijn gepland. Het Louvre Abu Dhabi is nu als eerste geopend, met de andere plannen gaat het minder voortvarend. De bouw van het Guggenheim, naar ontwerp van Frank Gehry, ligt tijdelijk nagenoeg stil en wordt geteisterd door schandalen over arbeidsomstandigheden en financiële tegenslag. Met de bouw van het Zayed National Museum, naar ontwerp van architect Norman Foster, is nog niet eens begonnen, evenals met het Performing Arts Center dat door de in 2016 overleden architect Zaha Hadid zou worden gebouwd.

Het National Museum of Qatar.

Foto Iwan Baan

Bezoekers aan het Saadiyat eiland zullen het voorlopig moeten doen met de succesvolle dependance van het Louvre, dat in het eerste jaar maar liefst een miljoen bezoekers trok. Het museum, dat net als het Museum of Islamic Art in Qatar in het water staat, bestaat uit 55 lichte gebouwen en paviljoens die als een dorp, een medina, zijn samengebracht onder een alles overkappende halfronde koepel. Een stalen constructie met een diameter van 180 meter filtert het harde zonlicht met een fijnmazig patroon van geometrische vormen. Nouvel omschrijft het resultaat als „een regen van licht”, een effect dat nog eens versterkt wordt wanneer het fijne woestijnzand door de lucht wordt geblazen.

Voor zijn Institut de Monde Arabe in Parijs, een ontwerp uit 1987, liet Nouvel zich al eens inspireren door de Arabische vormentaal, die hij liet terugkomen in ingenieuze diafragma-ramen. Net als in Arabische Mashrabiya-ramen, die het zonlicht filteren, paste hij deze oosterse vorm van lichttoetreding toe in het Parijse instituut.

Alle windstreken

Het Louvre Abu Dhabi wil het eerste universele museum in dit deel van de wereld zijn, „waar objecten uit alle hoeken van de wereld elkaar voor het eerst ontmoeten”. Financieel gesteund door oliedollars en inhoudelijk gestoeld op de kennis van de conservatoren van het Louvre ontstaat hier een encyclopedische collectie met topstukken uit de kunstgeschiedenis van de hele mensheid. Zelf was ik aanvankelijk niet overtuigd toen ik enkele jaren terug in Parijs, bij wijze van voorproefje, een tentoonstelling zag van de eerste aanwinsten. Het waren weliswaar stuk voor stuk topstukken, waaronder een vertederende Madonna met kind, de ‘Wittgenstein Bellini’, een van de eerste aankopen en in 2009 nog het topstuk van de Tefaf. En ook de prachtige Mondriaan die ik ooit in het appartement van Yves Saint Laurent zag (en geknipt voor het Rijksmuseum), had in Abu Dhabi een nieuw onderkomen gevonden. Maar bij elkaar bood deze aanwinstenpresentatie nog geen verhaal, laat staan een coherente collectie. Inmiddels is de verzameling gegroeid en zorgvuldig verrijkt, en met bruiklenen uit Franse musea wordt nu in Abu Dhabi een universeel overzicht geboden van kunst uit alle windstreken.

Het Louvre Abu Dhabi.Foto Hamad I Mohammed/REUTERS

Vergeleken met de gevestigde encyclopedische collecties als die van de Hermitage, het Metropolitan Museum of het British Museum, stelt de piepjonge verzameling van het Louvre Abu Dhabi weinig voor. Evengoed is het museum succesvol en wordt de opstelling door het publiek bijzonder gewaardeerd.

Dat laat bijvoorbeeld ook het Londense Tate Modern overtuigend zien. De collectie biedt daar geen volledig of zelfs maar enigszins samenvattend beeld van de moderne kunst. Juist om die manco’s te omzeilen werd bij de openingsopstelling in 2000 van deze zwakte gebruikgemaakt door bewust niet voor een chronologische opstelling te kiezen. In plaats daarvan kwamen vier thema’s die dwars door de kunstgeschiedenis lopen. Zo kon het dat Monets Waterlelies uit 1916 gecombineerd werd met Richard Longs Stenen cirkel uit 1991. Bovendien waren het toegankelijke thema’s, zodat iedereen zich ertoe kan verhouden. Thema’s als ‘herinnering en maatschappij’, ‘het naakt en het lichaam’, of ‘landschap, omgeving en natuur’ klinken toch heel anders dan het geijkte ‘impressionisme’, ‘kubisme’ of ‘futurisme’.

Tate koos, net als het Louvre Abu Dhabi, voor een verhaal, voor een publieksgerichte vertelling met de getoonde objecten als protagonisten. Als je dit combineert met dat andere hedendaagse fenomeen, namelijk ergens geweest zijn en het willen meemaken, dan zit je als museum midden in de tijdgeest.

Sacraal

De jongste generatie museumgebouwen herinnert in niets meer aan het klassieke museum. Of toch wel? Wanneer het gaat om het ontwerp van de meest in het oog springende gebouwen van onze tijd, op vaak prominente locaties, dan is het geen wonder wanneer de architect niet langer voortborduurt op het verleden maar zijn inspiratie elders zoekt. En wanneer het gaat om publieke gebouwen met grote afmetingen, zoals musea, blijkt dat in onze tijd geen standaard meer bestaat voor het museum als gebouwtype.

Net als in religieuze architectuur, zien we bij museumgebouwen een verlangen naar het onbenoembare, het sacrale, de hang naar iets spiritueels. In hoge ruimtes krijgt men hoge gedachten, heet het dan. Veel museumgebouwen roepen dat effect op. In de oude trappenhuizen van het Rijksmuseum en het Stedelijk wordt de bezoeker voorbereid op de esthetische ervaring die volgt. Niet eens zozeer didactisch, maar eerder onbewust emotioneel. De gang naar boven doet het alledaagse naar de achtergrond verdwijnen, de bezoeker komt los van de banale wereld van alledag. Letterlijk een gang op weg naar het hogere. Een gang om de wereld achter je te laten en, om met Schopenhauer te spreken, je in een stemming te brengen van „interessenlose Anschauung”. Een opgang om de geest en de blik te zuiveren. Dit beproefde element zien we terug in de moderne museumarchitectuur.

Collectieve beleving

Mediagoeroe Marshall McLuhan – bekend van zijn uitdrukking „the world as a global village” – maakte onderscheid tussen hot media en cool media. De warme media zijn activiteiten die een hogere concentratie vergen, zoals schrijven, lezen en museumbezoek dat oorspronkelijk voornamelijk een individuele aangelegenheid was. Daarnaast zijn er de koele media die collectief zijn, zoals naar het theater gaan of gezamenlijk televisie kijken.

Wij leven in een tijd waarin een aantal van deze media van temperatuur wisselen. Het gezamenlijk televisiekijken is ingeruild voor het individuele beeldscherm waarop je op ieder moment naar Uitzending Gemist of Netflix of YouTube kunt kijken. Het museum daarentegen wordt juist meer een theater waarin groepen mensen op hetzelfde moment naar hetzelfde kijken. En dat is precies wat Marshall McLuhan voorspelde. Individueel wordt collectief. Het theatraliseren van het museum zie je op de succesvolle museumnacht en bij openingen die soms steeds meer op premières gaan lijken. Bezoekers worden toeschouwers en het publiek wordt een community.

Het Louvre Abu Dhabi.Foto KARIM SAHIB / AFP)

Deze ontwikkeling zie je terug in de museumarchitectuur. Musea ruimen veel meer vierkante meters in dan vroeger voor die collectieve beleving. Was de tijdsbesteding vroeger bijna volledig gewijd aan het individueel bekijken van de collectie, uit recente cijfers blijkt dat het verblijf in een museum voor bijna de helft bestaat uit andere, collectieve, activiteiten. En dit is af te lezen aan publieksruimtes als een groot atrium, een goed gesorteerde giftshop en restaurants. Sir Nick Serota, destijds directeur van de Tate: „Museums now are places where people come to meet each other and have a conversation and a good time.” (The Economist, juni 2016) en: „It has become apparent that our audiences seek different forms of participation and engagement. They want dialogue and discussion.” (Financial Times, mei 2013).

In het nieuwe museum is het gebouw net zo belangrijk geworden als de kunst die er getoond wordt. De kracht van het nieuwe museum zit hem niet langer in het tonen van (grote hoeveelheden) kunst an sich. De kracht van het moderne museum zit hem in het selectieve element, het op aansprekende wijze presenteren van bekende stukken en onverwachte combinaties en verrassingen. Precies zoals de opstelling in Abu Dhabi ons nu wordt voorgeschoteld. Het tonen van authentieke objecten als een som der delen, als een vertelling, als een verhaal waartoe bezoekers zich kunnen verhouden en het liefst inleven, zoals de wandeling door het verleden en heden van Qatar. Want het publiek wil meegenomen worden, ergens geweest zijn en ergens bij horen. Niet alleen iets zien, maar iets meemaken.

„To wonder and to explore”, staat gegraveerd in de oude ingang van de Enlightenment Gallery in het British Museum. Die regel heeft nog niets aan actualiteit ingeboet en krijgt in musea zoals het Louvre Abu Dhabi en het National Museum in Doha een eigentijdse invulling. Dat nieuwe museum en het museum van de toekomst tonen niet langer alleen kunst, het nieuwe museum exposeert in alles zichzelf.

Wim Pijbes is directeur van de stichting Droom en Daad in Rotterdam. Hij was van 2008 tot 2016 hoofddirecteur van het Rijksmuseum in Amsterdam. Dit artikel is een bewerking van een lezing die Wim Pijbes zal geven tijdens een reis van de NRC Academie naar de Golfregio van 19 t/m 24 maart.