Opinie

Laat de Eerste Kamer eigenwijs blijven

Juist als coalitiepartijen geen meerderheid hebben, in de Eerste Kamer, dreigt het gevaar van te strakke partijdiscipline, zegt

Minister Ferdinand Grapperhaus van Justitie en Veiligheid (CDA) tijdens een plenair debat in de Eerste Kamer.
Minister Ferdinand Grapperhaus van Justitie en Veiligheid (CDA) tijdens een plenair debat in de Eerste Kamer. Foto Bart Maat / ANP

Dat de coalitie van VVD, D66, CDA en CU haar meerderheid in de Eerste Kamer als gevolg van de Provinciale Statenverkiezingen zou verliezen, stond bij voorbaat vast. Dat het afwijzingsfront van antisysteempartijen als PVV, Forum voor Democratie en Denk een belangrijke groei zou doormaken werd eveneens verwacht. De coalitie zal dus voor de vorming van meerderheden in de Eerste Kamer zijn aangewezen op steun van partijen die nu deel uitmaken van de oppositie in de Tweede Kamer zoals GroenLinks, dat fors heeft gewonnen, en van de PvdA die min of meer overeind blijft.

Veel politici en, in hun kielzog, heel wat media, hebben in de aanloop naar deze verkiezingen de verwachting gevoed, dat de Eerste Kamer door deze uitslag een machtiger positie zou krijgen tegenover de Tweede Kamer. De coalitiemeerderheid in de Tweede Kamer ontbreekt immers ‘aan de overzijde’ (zoals de Eerste Kamer daar wordt genoemd), en dat betekent dat partijen die in de Tweede Kamer oppositie voeren in de Eerste Kamer het kabinet behulpzaam moeten zijn. Maar wordt de Eerste Kamer daar nu machtiger van?

Vóór de verkiezingen waren er al partijen die de Statenverkiezingen proclameerden tot een ‘referendum voor of tegen Rutte III’. Dat was en is aperte onzin. Een kabinetscoalitie wordt maar op één plek gevormd en dat is de Tweede Kamer. Het feit dat in de Eerste Kamer geen meerderheid (meer) bestaat die het kabinet steunt, betekent dus niet dat daar een meerderheid het kabinet wil zien vertrekken. De Eerste Kamer gaat daar niet over. Zij is er om in laatste instantie wetsvoorstellen af te wijzen of aan te nemen; met de veel grotere hoeveelheid niet-wettelijk beleid bemoeit zij zich niet eens.

Belangrijker is dat het vorige kabinet-Rutte, dat al aan het begin van zijn termijn geen meerderheid in de Eerste Kamer had, spoedig achterhaalde dat zij de meerderheid in de Eerste Kamer niet dáár moest organiseren maar in de Tweede Kamer. Daarvoor moest het partijen buiten de coalitie aan zich binden, die vervolgens in de Eerste Kamer voor een meerderheid zouden zorgen. Destijds lukte dat door een min of meer vast verbond met oppositiepartijen als D66, CU en SGP, naast af en toe CDA en GroenLinks. In de komende jaren zullen het waarschijnlijk telkens meerderheden ad hoc zijn die per wetsvoorstel verschillen. Ingewikkeld maar zeker niet onmogelijk.

Voor de Eerste Kamer heeft dat echter schadelijke en verzwakkende effecten. Meerderheden kunnen daar slechts ontstaan als coalitiepartijen, maar ook telkens een paar oppositiepartijen, in strakke discipline het kabinet tot steun zijn. Elke afwijzing van een wetsvoorstel zal publicitair worden gezien als een ‘nederlaag voor de coalitie’ en als een gebrek aan loyaliteit aan afgesproken overeenstemming. Voor een wat vrijere omgang met de fractiediscipline van individuele leden van de Eerste Kamer zal niet of nauwelijks ruimte zijn. Laat staan dat de Eerste Kamer zijn vaardige spel van zachtjes dreigen en verkrijgen van novelles (verkapte wetswijzigingen) nauwelijks meer kan uitoefenen. Juist dat wat de Kamer haar bijzondere gezag geeft, gaat daarbij grotendeels verloren.

In de laatste decennia tot Rutte II had de Eerste Kamer zich een eigen gezag verworven, dat een anticiperende werking had bij de collegae in de Tweede Kamer. Die wisten dat ze bij slordige en al te gehaaste wetgeving een afwijzing door de Eerste Kamer riskeerden. Soms werden zij zelfs door politieke vrienden aan de overzijde vooraf daarvoor gewaarschuwd. Deze anticiperende kracht wordt door een Tweede Kamer die stemt met ‘oversized majorities’ ondergraven. Dat lukt immers alleen als er zekerheid is dat de Eerste Kamer niet meer gaat dwarsliggen. Daarmee verliest de Eerste Kamer tegelijk aan corrigerend vermogen. Juist de meer ontspannen politieke verhoudingen die haar kenmerkten en haar mogelijkheden bepaalden gaan, ter verzekering van de vereiste meerderheid, in belangrijke mate verloren. Zo wordt zij de kopie van de Tweede Kamer die zij traditioneel niet wil wezen.

De Eerste Kamer wint niet aan macht, zij verliest aan macht. En, wat erger is, zij verliest aan publiek gezag.

Update (21 maart 2019): Dit artikel is bijgewerkt met de verkiezingsuitslagen. Het is een bewerking van een artikel dat eerder verscheen op parlement.com

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.