Opinie

    • Maarten Schinkel

Is de staatsschuld te klein aan het worden?

Moest de burger de energietransitie betalen, of het bedrijfsleven? De kosten om de klimaatdoelstellingen te halen vormden de afgelopen maand een van de belangrijkste thema’s in de aanloop naar de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Het kabinet maakte een draai: minder lasten voor de burger, meer voor bedrijven. De politieke strijd onderstreept een merkwaardige ontdekking die in het huidige kabinet is gedaan: het is kennelijk politiek veel makkelijker om, zoals in de jaren na de crisis, geld tekort te hebben en te moeten bezuinigen dan om geld over te hebben.

Geld te veel? Op naar Zwitserland. ING wees deze week op de schaduwzijde van de Zwitserse weelde. Het land heeft negatieve rentes, begrotingsoverschotten, een slinkende staatsschuld en een overschot op zijn betalingsbalans met het buitenland. De Zwitsers hebben de veiligste van alle veilige havens. Maar al het geld dat er zijn toevlucht zoekt, drijft de koers van de franc op. Zo prijst het land zich langzaam volledig uit de markt. Hoe minder staatsleningen er, door de slinkende staatsschuld, te koop zijn, hoe hoger de koersen van die staatsleningen worden opgedreven. Hoe negatiever de rentes. Hoe hoger het begrotingsoverschot, hoe duurder de Zwitserse franc. Enzovoort.

Een staatsschuld kan kennelijk ook te klein zijn. Nederland bevindt zich in een ongebruikelijke positie. Het vertoont alle kenmerken van Zwitserland: begrotingsoverschotten, negatieve rentes (tot een looptijd van acht jaar!) en een huizenhoog overschot op de betalingsbalans, een lage, dalende staatsschuld. Maar één eigenschap heeft Nederland niet: een eigen munt die wordt opgedreven.

De euro waarin ‘we’ zijn opgegaan, is juist relatief zwak. Er is via de wisselkoers dus geen rem. De inflatie bedraagt volgens het Centraal Planbureau dit jaar 2,3 procent. Daardoor is de reële, voor inflatie gecorrigeerde rente op een vijfjarige staatslening voorlopig zo’n 2,5 procent negatief.

Hou dat laatste even vast. Olivier Blanchard, voormalig topeconoom van het IMF, gaf in januari bij zijn afscheid als voorzitter van de Amerikaanse economenclub AEA een toespraak die in de economengemeenschap als baanbrekend wordt gezien. Blanchard toonde dat, met uitzondering van een periode in de jaren tachtig, de reële economische groei altijd hoger is dan de reële risicovrije rente. Dat houdt in dat een staatsschuld eigenlijk altijd vanzelf krimpt ten opzichte van het bruto binnenlands product – de poel van belastingheffing om de schuld te dragen. De stelling dat een hogere staatsschuld per definitie een naar de toekomst doorgeschoven belasting is, klopt volgens hem dan ook niet.

Blanchards boodschap: doe niet te verkrampt over de staatsschuld. Al geeft hij geen vrijbrief. Dus: nee, een te hoge staatsschuld is niet goed en blijft niet goed. Als je de staatsschuld inzet, dan moet dat een goede, structurele, reden hebben: verbetering van infrastructuur bijvoorbeeld. En: wees blij dat het kan. Bij de volgende crisis hebben centrale banken nauwelijks munitie meer over, dus meer ruimte bij de openbare financiën is dan welkom.

Wat betekent het voor Nederland? Misschien is onze staatsschuld (49,1 procent in 2019) nu wel voldoende afgebouwd en is verdere verlaging juist contraproductief. Het land dat alle zeilen moet bijzetten om de klimaatdoelen te halen, heeft tegelijkertijd meer dan voldoende ruimte om juist daarin te investeren. We zijn Zwitserland met een zwakke munt: het is bijna te mooi om waar te zijn. Dat betekent niet dat alle remmen los kunnen. Maar het is vreemd dat deze relatief pijnloze mogelijkheid nauwelijks is verkend. Beleggers in onze staatsschuld betalen mee. Is er een betere bestemming denkbaar?

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.