Eerst groeit de maatschappij, dan komt er een god bij

Geschiedenis Onderzoek naar ruim vierhonderd beschavingen laat zien dat beschavingen geen moraliserende goden nodig hebben om groot en complex te worden.

Detail van het Tablet van Sjamasj uit het British Museum (9de eeuw voor Christus), met daarop de zonnegod Sjamasj op de troon (rechts) en twee andere goden en de Babylonische koning Nabu-apla-iddina (888-885 voor Christus).
Detail van het Tablet van Sjamasj uit het British Museum (9de eeuw voor Christus), met daarop de zonnegod Sjamasj op de troon (rechts) en twee andere goden en de Babylonische koning Nabu-apla-iddina (888-885 voor Christus). Foto Creative Commons

Wat was er het eerst: de geavanceerde menselijke beschaving of de almachtige god? Het is een vraag waarover wetenschappers die het ontstaan van beschavingen en religies bestuderen zich al een tijd het hoofd breken. Gingen mensen eerst samenwonen en ontstonden er daarna goden om iedereen in het gareel te houden, of waren die straffende goden er eerst en ontwikkelden mensen vervolgens een samenleving om hen te dienen?

Een team van onderzoekers uit tien verschillende landen zegt nu het antwoord op deze vraag te hebben gevonden: complexe beschavingen gaan vooraf aan de opkomst van goden die toezicht houden op de regels. De onderzoekers komen tot deze conclusie na bestudering van 414 verschillende beschavingen, die gedurende 10.000 jaar hebben bestaan in dertig regio’s over de hele wereld. Ze publiceerden hun analyse woensdag in Nature.

Karma in het boeddhisme

Veel wetenschappers onderschrijven de hypothese dat voor de sociale samenhang en harmonie in beginnende staten een moraliserende god of bovennatuurlijke straf nodig is. Een voorbeeld van het eerste fenomeen is de god van het Oude Testament, die mensen voorschrijft wat ze moeten doen en straft als ze de regels overtreden. Het principe van karma in het boeddhisme is een voorbeeld van het tweede verschijnsel: wie zich misdraagt, krijgt daarvoor in dit leven of een volgend leven de rekening gepresenteerd. Het idee is dat zonder dit soort toezicht van bovenaf mensen minder geneigd waren zich te houden aan de regels die een samenleving leefbaar maakten.

Over wat er nu eerder was – moraliserende goden en bovennatuurlijke straffen, of een complexe beschaving – bestond echter nog geen overeenstemming. Daarom gaven de onderzoekers de door hen onderzochte beschavingen een cijfer om hun complexiteit mee uit te drukken. Ze deden dat door iedere samenleving te scoren op 51 verschillende factoren, zoals bevolkingsaantal, omvang van de religieuze hiërarchie en het leger, en de aanwezigheid van zaken als een rechtssysteem, het schrift, irrigatie, wegen en bruggen, munten en onderwijzers. Door elke honderd jaar te kijken hoe het met deze factoren stond, was voor elk van de 414 samenlevingen vast te stellen hoe hun complexiteit zich ontwikkelde. Deze tijdlijn werd vervolgens vergeleken met het moment waarop moraliserende goden of bovennatuurlijke straffen hun opwachting maakten in zo’n samenleving.

Rituelen zijn van belang

De conclusie van de onderzoekers is dat dit bijna altijd pas gebeurt nadat een staat zich heeft ontwikkeld tot een ‘megasamenleving’ met meer dan een miljoen inwoners. De eerste moraliserende god die ze tegenkwamen was Maät, die rond 2800 voor Christus verscheen in Egypte. Hierna volgden onder meer Sjamasj (rond 2200 voor Christus in Mesopotamië) en Ahura Mazda (rond 500 voor Christus in Perzië). Van de samenlevingen die géén moraliserende god ontwikkelden, slaagde alleen het rijk van de Inca’s erin de grens van een miljoen inwoners te doorbreken, zonder dat ze daarna nog een moraliserende god kregen. Het lijkt er dus op dat dit soort goden geen voorwaarde zijn voor het ontstaan van een groot rijk, maar dat ze wel nodig zijn om zo’n rijk bij elkaar te houden.

Lees over geloof in moraliserende goden in kleine gemeenschappen: Strenge god maakt socialer

Bij de geboorte en de eerste groei van nieuwe staten zijn vooral gedeelde rituelen van belang, concluderen de onderzoekers. Om die handelingen goed te kunnen uitvoeren, zochten mensen elkaar in steeds groter wordende getale op en ontwikkelden ze structuren en regels. „Bij het ontstaan van sociale complexiteit lijkt het uiteindelijk van groter belang hoe je aanbidt, dan wie je aanbidt”, besluiten de onderzoekers daarom.