Argus: vrijbuiterblad met heimwee naar het oude Vrij Nederland

Krant Heimwee naar het ‘auteursblad’ van vroeger drijft de vrijwilligers van het blad Argus. Deze week verschijnt de vijftigste editie. Te professioneel om een hobbykrant te noemen, te hobbyistisch om urgent te zijn.

De Amsterdamse kunstenaar Hugo Kaagman.
De Amsterdamse kunstenaar Hugo Kaagman. Foto Argus

Bewoners van de Amsterdamse Sarphatibuurt die zich afvragen wie al die hoofdjes van stripfiguur Argus in het holst van de nacht op hun muren heeft gespoten, kunnen maandag om 18.00 uur verhaal halen bij hoofdredacteur Rudie Kagie in sociëteit De Kring. Daar zullen zij hem aantreffen met een stapel kranten: het vijftigste nummer (jubileum!) van zijn krant Argus, vernoemd naar de Rommeldamse verslaggever uit de Toonder-strip.

Bewijsmateriaal op pagina 10: een reportage waarin de hoofdredacteur op boevenpad gaat met kunstenaar Hugo Kaagman en hem prijst voor zijn vroegere „productie van maatschappijkritische sjabloonkunst in onregelmatige buitendienst”. Kagie beschrijft hoe hij Kaagman aanzet tot een laatste kwajongensstreek. „Alsof hij daartoe een zesde zintuig ontwikkelde, ontwaart hij op straten en pleinen direct de maagdelijke plekken. Met de linkerhand, tegen verfspatten beschermd door een handschoen, drukt hij het papier tegen de ondergrond. Met de andere meesterhand bedient hij de spuitbus. Psst, psst… drie, vier seconden, langer duurt het niet voordat de kunstenaar alweer een stempel op de eeuwigheid drukt.”

Het tekent de betrokken, modern-historische journalistiek van Argus, bestaande uit een redactie van voornamelijk oud-journalisten die in georganiseerd verband de vrijheid zochten om te schrijven wat ze willen. „Een auteursblad, zoals Haagse Post en Vrij Nederland in de jaren zeventig”, schrijft uitgever Theo Bouwman. Kagie, desgevraagd: „Ik heb nog de gouden tijd meegemaakt waarin redacteuren op de redactievergadering simpelweg meedeelden waaruit hun bijdrage voor het komende nummer zou bestaan. Niks deelredacties of gedoe met chefjes, dat kwam pas later.”

Geheel in Argus-stijl: journalisten die hun beste citaten nogmaals in omloop brengen

Argus is te professioneel om een hobbykrant te noemen en te hobbyistisch om urgent te zijn. Desalniettemin of juist daarom hebben de stukken vaak een verrassende insteek: Vechten, zuipen, seks – Bach was er niet vies van (in de rubriek Jong Geweest) en Leve de man die zich vergist heeft! (over SDAP-politicus Troelstra in de rubriek Manifest). Of neem de brief van Martin Schouten aan zijn moeder: „Sinds uw dood, nu ruim dertien jaar geleden, is onze verstandhouding aanzienlijk verbeterd. Zozeer zelfs dat ik me nu vrij voel om u een paar dingen voor te leggen die me altijd hebben dwarsgezeten…”

Lees ook wat Wilfred Takken schreef over het eerste nummer: Nieuw tijdschrift van gepensioneerde journalisten lijkt op studentenblaadje

Soms wordt er een stuk opgediept uit een oude krant. Sinterklaas is het „feest van de discriminatie”, aldus een ingezondenbrievenschrijver in 1965, „dat zwarte kinderen minderwaardigheidsgevoelens bijbrengt”. Eén van de jongste contribuanten is de huidige VPRO Boeken-presentator Carolina Lo Galbo (1980). Zij schrijft over de keer dat ze na een urenlang interview met Ruud Lubbers er in de trein achter kwam dat ze niets had opgenomen – en dus een nieuwe afspraak moest maken. Ook haar epistel is geheel in Argus-stijl, waarin journalisten hun beste citaten nogmaals in omloop brengen. In dit geval Lubbers die na een sociologische verhandeling over multiculturele spanningen tot een Bijbelse verzuchting komt: „Als je de liefde niet hebt, kun je de rest wel vergeten.”

Argus zelf blijft overigens weg van ideologische kaders en hanteert volgens hoofdredacteur Rudie Kagie „het principe dat wat met plezier wordt geschreven, over het algemeen met plezier wordt gelezen.”

Twee keer per jaar stelt zijn krant een journalist van jonger dan dertig jaar in de gelegenheid om zich twee maanden vast te bijten in een onderwerp, tegen een marktconform honorarium. Kagie, over zijn eigen redactie: „Bij Argus tref ik weer de gedrevenheid en de vrijbuitersmentaliteit aan die wat mij betreft kenmerkend waren voor de ‘oude’ Vrij Nederland.”