Opinie

    • Ellen Deckwitz

Pionier

Mijn ouders zijn van die mensen die, wanneer ze je een Netflixserie aanraden, ook maar meteen de gehele afloop vertellen, en zo was het geheel normaal dat ze al rond mijn zesde verklapten dat het leven na je dertigste één grote herhalingsoefening is. Nu ik al een paar jaar doorbreng in mijn vierde decennium begint het inderdaad allemaal verdacht veel op elkaar te lijken. Dat was aanvankelijk okay: ik was niet meer zo snel van slag of verontrust, had me erbij neergelegd dat sommige dingen waarschijnlijk niet zouden gebeuren zoals die gouden medaille op de vijftig meter sprint of een heroïneverslaving. Het was overzichtelijk maar helaas ook erg saai.

„Ik wou soms dat ik meer talent had voor religie”, zei ik laatst tegen mijn zus. „De boel wordt toch wat spectaculairder als je dit aards bestaan als één grote sollicitatieprocedure voor het hiernamaals beschouwt.” Mijn zus, die de boel ook wat eentonig vindt worden, knikte.

„Ik denk soms”, begon ze, „dat we tegenwoordig gewoon te lang leven. Weet je nog hoe oma zich daarover kon opwinden?”

God, ja. Onze grootmoeder wilde vanaf haar twintigste chronisch dood, zo stom vond ze het bestaan, en stak dat niet onder stoelen of banken. Mijn moeder probeerde haar eens te troosten met de gedachte dat ze tenminste haar kinderen had om voor te leven, wat mijn oma meteen afstrafte door te zeggen dat als het aan haar had gelegen, ze zich helemaal niet had voortgeplant.

‘Mijn eigen moeder heeft de vijftig nog net gehaald”, mopperde mijn grootmoeder dan, „Je zou toch denken dat dat erfelijk is, zo’n lage levensverwachting.” Tot haar grote teleurstelling was ze inmiddels 92. Niemand had het haar voorgedaan, het met pensioen gaan. Wat je aan moest met een lichaam dat aftakelde en toch niet uiteenviel. Ik zie haar nog zo voor me uit lopen, een pionier in het niemandsland van de ouderdom, zich geen raad wetend met die enorme voorraden tijd. In plaats van er toch maar iets van te maken bleef ze roepen dat ze er geen klap aan vond.

En nu ik ook ouder word en de jeugdjaren – en daarmee de vastomlijnde levensroutes die daarbij horen zoals opgroeien, studeren, carrière opbouwen – steeds verder achter me liggen, krijg ook ik het soms benauwd van al die uren die zich nog eindeloos voor me uitstrekken. Soms ben ik dan boos op mijn grootmoeder. Ik erfde haar taaiheid maar ook haar onvermogen daarmee om te gaan. Zij had mij moeten vertellen hoe dat nou moest, verouderen en er toch de moed in houden. In plaats daarvan is de tijd nu een tandwiel waarvan ik iedere rader zelf moet ontdekken, tot vermoeiens toe moet uitvinden hoe ik de boel geolied houd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.