De maan

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 20: het geheim van perfecte omstandigheden en vissen die toch niet bijten.

Voorzichtig, bijna timide, verschijnt aan het firmament de maan. Heel geleidelijk treedt de schemer in terwijl het gepiep van ’n nestje jonge vogels onder mij verstomt.

Het was ’n ontzaglijke reis; trein, bus, vliegtuig, auto, veerboot, om ten slotte aan te meren op dit klein paradijsje. Een toverachtig, maanrond eiland, waarvan ik de naam niet prijsgeef, omdat ik ’t graag toverachtig wil houden.

Ik sta hoog op een rotspartij, oog in oog met de koningsblauwe eeuwigheid van het Atlantische water. Mijn hengel zou hier fonkelende vis kunnen toveren, maar vandaag vergezel ik de dood. Vandaag eerbiedig ik de zee en zijn bewoners, neem ik genoegen met de hemel en de horizon.

Als ik, vermoeid in de benen, op een steen ga zitten is het alsof ik over een graf heen buig. Miljoenen jaren geleden kroop hier, precies op deze waterscheiding, het eerste zeedier aan land, kreeg poten, werd mens. Hier was de geboorte van de oermens, de Afrikaan, van wie de geest ergens op de branding ronddwaalt; diens lokroep, als je goed luistert, echoot nog zachtjes tussen de rotsen.

In gedachten verzonken peins ik in de diepte. De Piramiden van Gizeh, de tuinen van Babylon, de stenen kolossen op Paaseiland, stuk voor stuk ongelooflijke mysteriën, maar vanavond kluistert mij een ander mysterie: waarom bijten vissen de ene dag wél en de andere dag niet? Een eeuwenoud geheim. Alle vissers dromen van die ene uitzonderlijk dag; wanneer alle factoren en elementen, windrichting, windkracht, watertemperatuur, schemering, getijde, stroming, seizoen, aassoort, in een gunstig teken staan – en toch, óók op deze dagen, weigeren ineens álle vissen te bijten. Alsof ze collectief een geheim akkoord tekenden.

De met speer en in dierenvel gehulde holbewoner kende het antwoord, maar wij niet meer. Dit vraagstuk overvalt me op deze rotspartij, gedompeld in rouw, oog in oog met het onmetelijke, het ongenaakbare, terwijl hijgerige golven onder mijn voeten sterven en wind en zout aan mijn huid kleven. Ik draai mij om, zodat de laatste zonnegloed mij niet verblindt, en ik zie de rug van God; ik kijk naar boven en het is alsof het antwoord op dat eeuwige mysterie op mijn netvlies brandt: de maan. Natuurlijk, de maan.

Zeeën verontreinigen, de planeet warmt op, seizoenen schuiven, klimaten radicaliseren, maar de maan, als kroongetuige van de menselijke evolutie, fonkelt hoog en onverstoorbaar. Gehorig aan kosmische wetten, soms naakt, soms gehuld in een duister kostuum, dan weer volbloedig, dan weer scherp als ’n dolk. Maar altijd staat hij daar. Subliem en onsterfelijk.

In al zijn hoogdravende statistiekmodellen over ‘visgarantie’ en ‘vissucces’ verloor de moderne visser de maan, de aangeboren stuurman van eb en vloed, uit het oog. Onbegrijpelijk. Begrijpen we de maan, begrijpen we de vis.

In de zomer hervat Mohammed Benzakour zijn visdagboek.