Opinie

De getalenteerde mijnheer Previn

Peter de Bruijn Componist en dirigent André Previn begon zijn carrière in Hollywood. Tot hij er genoeg van had.

Peter de Bruijn

Componist, dirigent en pianist André Previn deed een van de meest uitzonderlijke dingen die er in Hollywood kunnen gebeuren: hij liep weg. In het midden van de jaren zestig was hij een dertiger die al vier Oscars voor beste muziek op zijn naam had staan, en elf Oscarnominaties. Toen had Previn, die op 28 februari overleed, er genoeg van.

Vanaf zijn zestiende had hij muzikale hand-en-spandiensten verleend bij studio MGM. Zijn ouders, die als vluchtelingen uit Hitlers Duitsland naar Los Angeles waren gekomen, konden het geld goed gebruiken. Previn was zo groen toen hij aantrad in Hollywood, dat hij geen raad wist met een versierpoging van de oogverblindende Ava Gardner. „Wil je me misschien thuisbrengen, jongeman”, vroeg Gardner hem op een Hollywoodfeestje, waar de jonge musicus discrete pianomuziek verzorgde. „Heeft u geen vervoer, mevrouw Gardner?”, antwoordde Previn. „Ik denk dat er wel iets voor u kan worden geregeld.”

Na zijn militaire dienstplicht stootte Previn pijlsnel door naar de top van zijn professie. Zijn Oscars won hij als muzikaal leider van Gigi (1958), Porgy and Bess (1959), Irma la Douce (1963) en My Fair Lady (1964).

Previn was naast zijn filmwerk altijd kamermuziek blijven spelen en was ook een begaafd en succesvol jazz-pianist. In zijn hoogst amusante memoires No Minor Chords. My Days in Hollywood beschrijft hij het moment waarop zijn limiet was bereikt en hij dacht: ik moet hier weg. Tijdens een bespreking met producer Arthur Jacobs zag hij dat de filmbaas zijn mond meebewoog terwijl hij een scenario doorlas. „Ik sta hier in een kamer naar een man te kijken die zijn lippen beweegt terwijl hij leest en als hij klaar is met lezen moet ik met hem over muziek discussiëren.” Ineens kon Previn daar niet meer tegen.

Previn begon een tweede leven als dirigent van klassieke muziek. Zijn Oscars betekenden in de klassieke muziekwereld niets, hij moest opnieuw beginnen bij orkesten uit het tweede echelon. Lang heeft dat niet geduurd. Eind jaren zestig was Previn al chef-dirigent van het Londen Symphony Orchestra. Daarna was hij te gast bij de Wiener Philharmoniker, de Berliner Philharmoniker en het Concertgebouworkest.

Previn was daarnaast, ook door zijn huwelijk met Mia Farrow in de jaren zeventig, een ware beroemdheid, die zelfs enige tijd een eigen talkshow had bij de BBC. Madame Tussauds maakte een wassen beeld van hem. Dankzij zijn behendige media-optredens zaten de zalen bij zijn orkest vol.

Natuurlijk leverde Previns vermogen om te schakelen tussen muzikale werelden ook frictie op. Een deel van de klassieke wereld bleef achterdochtig, vond zijn muzikale benadering te lichtzinnig en ontspannen. In Hollywood kon niet iedereen overweg met het dédain dat hij uitstraalde voor – in elk geval een deel van – de showbusiness: „André geeft me altijd het gevoel dat mijn gulp openstaat.” Previn heeft daar ongetwijfeld last gehad. Maar zijn briljante carrière heeft dat niet noemenswaardig gehinderd. Hollywood zou een mooie biopic over André Previn kunnen maken.

Peter de Bruijn is filmrecensent.