Zij wilde praten, hij pestte haar en toen ontplofte ze

Wie: Henriëtte (47)

Kwestie: zware partnermishandeling

Waar: rechtbank Arnhem

Bij de ingang van de rechtszaal zit een man met de handen in het verband. Een taxi heeft hem net afgezet op de stoep van de Arnhemse rechtbank. Hij is op van de zenuwen, vertelt hij, een wiebelig bekertje koffie in zijn linkervuist. Zijn vriendin zit vast omdat zij hem op een snikhete zomeravond opzettelijk en zwaar mishandeld zou hebben. „Als ik iets graag wil, is het dat ze als-je-blieft zo snel mogelijk thuiskomt.”

Zelf heeft de zestiger geen aangifte tegen zijn vriendin gedaan, blijkt tijdens de zitting, nooit willen doen ook. Henriëtte verdient in zijn ogen hulp, geen straf. Hij heeft alleen 112 gebeld toen hij na een ruzie bloedend in de tuin lag. En „toen is het Openbaar Ministerie daarmee aan de haal gegaan”. Hulpverleners troffen meneer aan in een plas bloed, verklaart de officier van justitie die keuze. „Meneer was hoogstwaarschijnlijk doodgebloed als er niet op tijd hulp was gekomen.”

Het gaat om langdurig en mogelijk blijvend letsel. Sneeën op het hoofd, somt de rechtbankvoorzitter op, snijwonden in handen en onderarmen, een diepe wond in zijn linkerhand en meerdere doorgesneden pezen in vingers en handen. „Ondanks operaties bestaat de kans dat meneer zijn vingers niet meer kan gebruiken.” Ze kijkt de verdachte vrouw tegenover haar vorsend aan: „Wat was er die avond eigenlijk aan de hand?”

In de cel 27 kilo verloren

Henriëtte duikt weg in haar jopper. Een rijzige vrouw met lang donker haar in een slobberspijkerbroek – ze verloor achter de deur in het Huis van Bewaring 27 kilo. „Ik wilde een gesprek aanknopen”, vertelt ze. Ze hadden allebei bier gedronken. Hij ook, terwijl hij net terug was uit een afkickkliniek. Zij wilde praten, hij bleef tv kijken. „En toen begon hij met pesten en werd ik boos.”

Haar advocaat zucht opgelucht dat zijn cliënt haar mond opendoet. Hoe moet je iemand verdedigen die niet wil praten? Toen hij haar afgelopen augustus in de politiecel ontmoette, viel ze midden in een verhoor stil en staarde ze apathisch voor zich uit. Na de vorige zitting heeft de rechtbank voor de inhoudelijke behandeling ‘medebrenging van verdachte’ bevolen.

Maar erg spraakzaam is Henriëtte (47) niet. Als ze wat zegt, praat ze als een robot. Lijzig en emotieloos, in schamele, kale zinnen van niet meer dan tien woorden. „Ik heb een bierflesje op zijn hoofd kapot geslagen”, zegt ze. „Maar hij spartelde tegen met de handen. Daardoor zijn verwondingen ontstaan.” En daarna herhaalt ze keer op keer: „Ik zou heel graag geholpen willen worden.”

Verdachte kampt met een alcohol- en tabaksverslaving, schrijft haar psychiater, en slikt medicijnen vanwege een schizofrene stoornis. Die openbaarde zich toen ze na de havo en een vastgelopen studie journalistiek in een psychose terugkeerde van een Australiëreis. Ze werd opgenomen in een psychiatrische kliniek en daarna, telkens als ze psychotisch werd, ingesloten in een separeer. Haar grootste angst sindsdien: opgesloten worden.

Uitgerekend dat gebeurde. Ze zit zonder hulp in de cel, vertelt haar partner de rechtbank in een toelichting op zijn slachtofferverklaring. Hij knipoogt naar Henriëtte die omgedraaid in haar bankje zit om hem te kunnen zien praten. „Terwijl ze heel veel spijt heeft van wat er is gebeurd en altijd al vreselijke angst heeft gehad om opgesloten te worden.” Daar wordt zij niet beter van en hij ook niet: Henriëtte is zijn „steun en toeverlaat”, sinds ze vijftien jaar geleden verliefd op elkaar werden toen ze nog beschermd woonden bij de ggz.

Maar de aanklager benadrukt dat hij zijn eis niet alleen kan laten afhangen van wat het slachtoffer wil. Hij heeft als officier van justitie ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Wat gebeurt er een volgende keer als verdachte doordraait? Is de omgeving van mevrouw veilig? De politie is herhaaldelijk in huis geweest na meldingen over partnergeweld. Niet voor niets schat de psychiater kans op herhaling hoog in vanwege ‘het chronische karakter van de psychoses en gebrek aan ziekte-inzicht’.

„Het is belangrijk dat mevrouw zorg krijgt”, zegt de aanklager. „Een half jaar intern, daarna thuis met een ambulant FACT-team.” Hij eist negentien maanden celstraf waarvan 11 maanden en 25 dagen voorwaardelijk. Als „ongebruikelijke” stok achter de deur bepaalt hij de proeftijd op vijf jaar – tot ontzetting van de raadsman.

Die eis nemen de rechters ongewijzigd over. Dat betekent dat Henriëtte sinds 6 maart wordt behandeld in een forensisch psychiatrische kliniek. Ze is gehouden aan strenge medicijn- en alcoholcontroles en intensief reclasseringscontact. Als ze binnen vijf jaar weer de fout in gaat, moet ze alsnog de gevangenis in.