Opinie

Roofkunst terug willen geven is mooi, maar begin dan ook met onderzoek

Museum Wereldculturen moet eigen verzamelgeschiedenis aandacht geven, vinden en .

Offerrek uit de Batoe-archipel (Indonesië); het middelste ‘voorouderbeeldje’ is 44 cm hoog, collectie Museum Volkenkunde, Leiden
Offerrek uit de Batoe-archipel (Indonesië); het middelste ‘voorouderbeeldje’ is 44 cm hoog, collectie Museum Volkenkunde, Leiden Foto Jan van Esch

Op 27 juni 1930 schrijft de directeur van het Volkenkundig Museum in Leiden een brief aan zendeling Willem Steinhart op de Batoe-eilanden aan de westkust van Sumatra: „Het Leidse Ethnografische museum bezit van de Batoe-eilanden slechts heel weinig voorwerpen”, schrijft hij. „Zou u kans zien – en ook tijd en lust hebben – om voor ons een collectie-tje bijeen te brengen?”

Een jaar later worden er enkele kisten Batoe-etnografica bij het museum in Leiden afgeleverd: „Pulau Tello, 1 mei 1931[...] Overeenkomstig uw verzoek [...] van harte hoop ik dat de gezonden voorwerpen in goede orde mogen aankomen […] W.L. Steinhart, Zendeling – Leraar.” De voorwerpen worden in de inventaris bijgeschreven, zonder informatie over gebruik en verzamelgeschiedenis.

Twee Nederlandse musea kwamen recent in het nieuws met plannen rond teruggave van koloniaal roofgoed. Het Nationaal Museum voor Wereldculturen presenteerde richtlijnen waaraan eventuele claims moeten voldoen. Het Rijksmuseum deed een boekje open over hun voorbereidingen voor uitgebreid onderzoek naar ongeveer duizend objecten in de eigen collectie. De directeur en het hoofd geschiedenis van dit museum benadrukten dat dit een enorme klus is, die veel onderzoek en „een proactieve houding” vereist, ook voor het relatief kleine aantal objecten waarom het gaat.

Bij de richtlijnen van Wereldculturen werd echter minder goed duidelijk welke inspanningen het museum zelf ging leveren. Directeur Stijn Schoonderwoerd zei in NRC dat de goed bekende geschiedenis van Benin-bronzen, in de pers steeds als voorbeeld aangehaald, niet representatief is voor de vaak summiere verzamelgegevens van de honderdduizenden objecten in Nederlandse volkenkundige collecties. Hij zei de komende jaren een flinke ontwikkeling te verwachten op onderzoeksgebied, maar zei niets over wat het museum zich hierbij concreet zelf voorstelt.

Het recente verleden stemt in dit opzicht niet hoopvol: sinds de verschillende etnografische musea zijn gefuseerd tot het Museum voor Wereldculturen, is er vooralsnog weinig concrete aandacht geweest voor de eigen verzamelgeschiedenis. Dit is het museum niet volledig aan te rekenen: de volkenkundige musea kregen het tijdens de bezuinigingen van Rutte I relatief zwaar voor de kiezen, waardoor het ontbreekt aan mankracht en middelen voor dergelijk onderzoek.

Kolonialisme, ras, gender

Maar tegelijkertijd hebben ze voor verzamelgeschiedenis simpelweg beperkte belangstelling. We zien dit bijvoorbeeld aan de activiteiten van het aan het museum gerelateerde Research Center for Material Culture, dat, de naam ten spijt, niet in de eerste plaats collectie-onderzoek faciliteert, maar met name een taak voor zichzelf ziet op het gebied van vraagstukken rondom ras, gender en koloniaal denken. Hierbinnen is op macroniveau weliswaar oog voor de geschiedenis van het eigen instituut, maar dit blijft ons inziens abstract, en van weinig concrete museale betekenis, zolang dit geen beslag krijgt in gericht onderzoek naar de eigen verzamelgeschiedenissen, die voor het overgrote deel nog niet in kaart zijn gebracht. Goede sier maken met een ruimhartig teruggavebeleid zonder concrete plannen voor gericht onderzoek komt ons daarom wat vrijblijvend over.

Lees ook: Het Nationale Museum van Benin wil zijn bronsschat terug

Plukjes correspondentie

Voor een doordacht en verantwoord teruggavebeleid is zulk onderzoek onontbeerlijk – en ook goed mogelijk, zeker in dit digitale tijdperk. De collectie van Steinhart kan hier opnieuw als voorbeeld dienen. De geschiedenis ervan vinden we terug in plukjes correspondentie, verspreid over verschillende Nederlandse (privé-)archieven. De religie van de bevolking van de Batoe-eilanden draaide om de goede band met de overleden voorouders, die dagelijks werden vereerd. Zonder hun bescherming was de bevolking van deze eilanden overgeleverd aan kwade geesten en daarmee aan ziekte en dood. De zendelingen bestempelden deze voorouderverering als afgoderij en eisten van iedere bekeerling dat deze zijn voorouderbeeldjes bij de zendeling inleverde.

Dit was voor de meeste Batoe-eilanders simpelweg geen optie en weinigen waren dan ook bereid zich te bekeren. Maar in mei 1926 stroomde de kerk plotseling vol en leverden vele mensen hun voorouderbeelden in bij Steinhart. Al gauw werd het de zendeling duidelijk waarom: eerder dat jaar was er een communistische opstand uitgebroken op de Batoe-eilanden. In mei arriveerden de eerste soldaten om deze opstand de kop in te drukken. De bevolking was doodsbang.

In een terugblik op deze periode schrijft Steinhart: „De tegenstelling van ‘communist’ werd ‘Christen’ en menigeen die nog nooit [...] in de kerk was geweest wilde door trouwe kerkgang de negatieve belijdenis afleggen niets met de communisten gemeen te hebben.” De objecten die Steinhart later aan het museum voor volkenkunde in Leiden zou sturen, werden verzameld gedurende deze periode.

Lees ook: Gestolen waar gedijt niet, zoek faire oplossingen voor roofkunst

Verloren objecten

Dit voorbeeld toont niet alleen aan hoe lastig vraagstukken rond onrechtmatige verwerving zijn en hoe wezenlijk het hiervoor is om onderzoek te doen; misschien minstens zo belangrijk is dat zulk onderzoek ook veel informatie over de geschiedenis en de cultuur van het gebied mee naar boven haalt. Zo kan het museum niet alleen verloren objecten, maar ook de daarmee samenhangende verloren geschiedenis teruggeven.

Wellicht moet het museum voor Wereldculturen in dit opzicht een voorbeeld nemen aan, verrassend genoeg, Steinhart zelf. Jaren later, nog steeds werkzaam op de Batoe-eilanden, kwam hij tot het inzicht dat hij, zijn goede bedoelingen en culturele interesse ten spijt, medeverantwoordelijk was geweest voor de vernietiging van de materiële cultuur van de eilandbewoners. Zijn schuldgevoel hierover zette hem aan om door middel van onderzoek ‘te redden wat nog over is’. Het zou de verantwoordelijke beleidsmakers sieren om een vergelijkbaar streven onderdeel te maken van het teruggavebeleid. Zo wordt dit niet alleen ruimhartig, maar ook betekenisvol.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.