‘Nederland is veel minder naïef geworden’

Job Cohen over Jan van Zanen Job Cohen was burgemeester van Amsterdam toen Theo van Gogh werd vermoord. Hij bewondert „de rust” waarmee zijn Utrechtse collega Jan van Zanen communiceert.

Burgemeester van Utrecht Jan van Zanen tijdens een persconferentie maandagavond waar hij met de politie en het Openbaar Ministerie een toelichting geeft op de schietpartij in zijn stad.
Burgemeester van Utrecht Jan van Zanen tijdens een persconferentie maandagavond waar hij met de politie en het Openbaar Ministerie een toelichting geeft op de schietpartij in zijn stad. Foto Robin Utrecht/ANP

Job Cohen kan zich goed inbeelden wat de Utrechtse burgemeester Jan van Zanen op dit moment doormaakt. Zijn gedachten gingen maandag meteen terug naar 2 november 2004, de dag dat Theo van Gogh in Amsterdam werd vermoord door de geradicaliseerde moslim Mohammed B. Als burgemeester van Amsterdam stond Cohen destijds in het middelpunt van de maatschappelijke en publicitaire storm.

De communicatie die hij tot nu toe rondom ‘Utrecht’ heeft gezien, vindt Cohen „ongelooflijk goed”. Hij bewondert „de rust” waarmee burgemeester Van Zanen, de politie, het Openbaar Ministerie, het kabinet en de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) naar buiten treden. „Ze zijn helder of wat ze wel of niet weten, wat ze wel of niet kunnen vertellen. Helder over waarom ze het dreigingsniveau hebben opgeschroefd. Precies wat je als bestuurder moet doen.”

Een ramp kan een burgemeester zo overkomen. Wat doe je dan? Lees dit stuk uit 2009, na de aanslag op Koninginnedag in Apeldoorn, terug.

Dat was in november 2004 wel anders in de Amsterdamse ‘veiligheidsdriehoek’, zegt Cohen. „Toen kostte het meer moeite om voor de eerste persconferentie afspraken te maken over wie wat zou zeggen, en waar, en hoe laat.” Het was een publiek geheim dat Cohen en toenmalig hoofdcommissaris Bernard Welten het slecht met elkaar konden vinden. Ook was er „gedoe” met inlichtingendienst AIVD: „We wisten in Amsterdam onvoldoende over Mohammed B. Was het een eenling of waren er meer? Daar wist Den Haag méér van dan wij, zeg ik diplomatiek.”

‘Verschillen domineren’

Voor Cohen domineren bij ‘Utrecht’ vooral de verschillen met 2004. „Sociale media speelden geen rol. Nu is iedereen veel eerder op de hoogte.” Destijds ging het om een terroristische aanslag, nu is dat nog niet duidelijk – het zou ook moord met relationele motieven kunnen zijn. Een ander verschil: in Amsterdam was meteen duidelijk wat het motief was – en de dader werd pijlsnel ingerekend. „Op het moment dat ik ‘s ochtends door de politie gebeld werd met het nieuws, hadden ze Mohammed B. al bij z’n kladden gegrepen.”

Helaas, zegt Cohen, zijn we sinds de moord op Van Gogh „veel sadder and wiser geworden” als het gaat om veiligheid. „Er was destijds een enorme uitbarsting van schrik. Dat zie ik nu veel minder. Ja, in Utrecht en omgeving, de mensen die er wonen en werken en kinderen op school hebben – die schrikken zich het apelazerus. Maar in de rest van het land lijkt er veel minder onrust te zijn dan destijds.” De Nederlandse samenleving, zegt de oud-burgemeester, was in 2004 „veel naïever”. „Dat maakte het veel onvoorspelbaarder en oncontroleerbaarder.”

Wat ook speelt bij het bewaren van de rust, zegt Cohen: de crisiscommunicatie is sinds 2004 met stappen vooruit gegaan. „Je ziet dat het een routine geworden is bij de bestuurders – en dat bedoel ik positief.”

Een laatste verschil: na de moord op Van Gogh ontdekten ze op het Amsterdamse stadhuis dat ze eigenlijk heel weinig wisten van de Marokkaanse gemeenschap. De gemeente moest als een dolle aan de slag om kennis te vergaren en sleutelfiguren te leren kennen. Als in Utrecht straks contact gelegd moet worden met de Turkse gemeenschap, heeft Cohen daar alle vertrouwen in. „We weten echt veel meer.”