Opinie

Het venster van de verbeelding is open

Marjoleine de Vos

Het mooie aan verbeelding is dat ze alles kan. En alles mag, al lijkt dat tegenwoordig wel eens niet zo te zijn: het begrip ‘cultural appropriation’, culturele toe-eigening, verwijt een lid van een meerderheid elementen van de cultuur van een minderheid te gebruiken. Het lijkt me een geweldig misverstand om elkaar te verbieden om ons, met behulp van artistieke verbeeldingskracht, voor te stellen hoe levens en situaties zouden kunnen zijn die nu juist níet onze eigen zijn.

Hoe veel minder zou je ‘weten’ als schrijvers, filmers, beeldend kunstenaars niet talloze personages en mogelijke werelden hadden verbeeld. Misschien is die verbeelding niet altijd correct, maar dan nog. We hebben ons ingeleefd in konijnen, in negentiende-eeuwse Russische boeren, in een verliefde vrouw in India, in een kind in een kamp, in een zwijgzaam echtpaar uit Berlijn, in een Afrikaanse zwerver – enzovoort. Het is een enorme uitbreiding van de voorstellingswereld en die uitbreiding verruimt onze kennis van de wereld en van de mensen. Soms tijdelijk, soms langdurig zien we alles mooier, hoopvoller, grimmiger, ellendiger, grappiger, draaglijker.

Onlangs hoorde ik in een voorstelling (Duende, van Gijs Scholten van Aschat, Eric Vaarzon Morel en Eric Vloeimans) een dichtregel van Federico Garcia Lorca die ik niet kan terugvinden, maar die ongeveer zo ging: „We stelden vast dat het einde der tijden zich had genesteld in alledaagse dingen.”

Een schitterende regel, de eerste van een gedicht dat er verder ook mocht wezen, maar mij voerde die regel direct naar de verbeelde wereld van de zeventiende-eeuwse gevangenis waarin ik net enige tijd had doorgebracht. Dankzij de roman De advocaat van Holland van Nicolaas Matsier. In zekere zin was deze versregel daar de kortste samenvatting van – hoe Johan van Oldenbarnevelt op een dag gearresteerd wordt zonder dat hij weet waarom, enigszins als Josef K. in Kafka’s Het proces. Er zijn aanklachten, vermoedelijk, er is een opdrachtgever en Van Oldenbarnevelt kan wel raden wie, er zijn omstandigheden, er is voorgeschiedenis. Maar vooral is er de oude man die, slecht lopend, over trapjes en door gangen, zalen en vertrekken van het Binnenhof geleid wordt om opgesloten te worden in een van de wereld afgesloten appartement. „Het raam zat pot- en potdicht. Dat kon je met één blik al zien. Maar dat het nog veel dichter kon, dat raam, daar waren ze diezelfde middag nog achter gekomen.” Ook de ramen worden dichtgespijkerd.

De advocaat zit in het duister, letterlijk en figuurlijk, en het einde der tijden kruipt om hem heen. Maar: die Gedanken sind frei. En de gedachten van de oude man zijn allesbehalve terneergeslagen, al is hij soms ook terneergeslagen. „De woorden hebben alle ramen ingegooid. De woorden hebben al het meubilair op straat gesmeten. De woorden hebben brand gesticht.” Zijn gedachten zijn ingehouden, sterk, overtuigd van zijn geestkracht. Die kracht schemert door elke zin – en een enkele keer voel je waarop die veroverd moet worden: op het verlies van alles en alles wat voor hem belangrijk is. Zijn positie, zijn handelwijze, zijn macht, zijn waardigheid. Zijn dierbaren. Als een laatste slag, voor hem zijn dood wordt aangekondigd, worden ook al zijn bezittingen verbeurd verklaard en het is een slag waar je als lezer van duizelt.

Tot slot neemt de verbeelding een vlucht die zij alleen kan nemen, zijn ziel vliegt uit het onthoofde lichaam op, boven het land, hoog boven alles wat van hem was. En je ziet het, dat land, waarvan je de geschiedenis nu weer beter kent.

Ach de taal. Ach de verbeelding. De werkelijkheid heeft haar écht nodig.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.