De koning van de surfgitaar bleef tot het laatst doorspelen

Dick Dale (1937 – 2019) Dick Dale was een onstuitbaar natuurverschijnsel, de oerknal van het surfgenre. Zijn ‘Misirlou’ belandde op de soundtrack van Pulp Fiction en maakte hem onsterfelijk.

Dick Dale (1937 – 2019) ontwikkelde op dansfeesten vlakbij de kust de karakteristieke galm en zware staccatonoten van zijn surfmuziek.
Dick Dale (1937 – 2019) ontwikkelde op dansfeesten vlakbij de kust de karakteristieke galm en zware staccatonoten van zijn surfmuziek. Foto Lex van Rossen

Dick Dale, die zaterdag op 81-jarige leeftijd overleed, was de koning van de surfgitaar. In 1961 betekende zijn gitaarinstrumental ‘Let’s Go Trippin’ de oerknal van het surfgenre, waar de Beach Boys een jaar later hun vocale versie aan verbonden. De eerste surfgolf was van korte duur, maar Dale werd onsterfelijk toen Quentin Tarantino het nummer ‘Misirlou’ in 1994 gebruikte voor de opening van Pulp Fiction. Jimi Hendrix en Eddie van Halen waren schatplichtig, net als de honderden andere surfgitaristen die in zijn kielzog volgden.

Geen gitarist kon het aanrollen van de golven, het spetteren van de branding en het natuurgeweld van de oceaan zo goed verklanken als Dick Dale, zelf een fervent surfer. Richard Anthony Monsour, zijn echte naam, werd in 1937 geboren uit een Pools-Amerikaanse moeder en een vader met Libanese roots. In de immigrantengemeenschap van Boston kwam hij in aanraking met Libanese muziek en Arabische toonladders. Zijn oom speelde de oed, een snaarinstrument uit het Midden-Oosten, en zelf bekwaamde hij zich op de tarabaki, een percussie-instrument waarvan hij later zei dat het de ritmische attack van zijn gitaarspel had bepaald. Hij speelde piano en ukelele en dacht aan een toekomst als countryzanger. Het pseudoniem Dick Dale koos hij om die reden.

In 1954 verhuisde het gezin naar Californië en leerde Dale surfen. Na lange dagen op de surfplank waren er dansfeesten waar Dale muziek maakte. Bij die ‘Ballroom Stomps’ ontwikkelde hij zijn karakteristieke gitaarstijl, met veel reverb (galm) en zwaar aangezette staccatonoten. De ongebruikelijk dikke gitaarsnaren rekte hij uit tot janktonen waarmee hij meeuwengekrijs verbeeldde. Het stuwende ‘Let’s Go Trippin’ veroorzaakte een nationale surf-rage toen Dale en zijn Del-Tones het live in de Ed Sullivan Show speelden. In korte tijd verwierf hij de eretitel ‘King of the Surf Guitar’.

‘Vader van de heavy metal’

Gitaarbouwer Leo Fender hielp Dick Dale bij het ontwikkelen van zijn explosieve gitaarstijl. Nadat de linkshandige gitarist menige versterker had opgeblazen gaf Fender hem de eerste 100 Watt-versterker, waarna Dale ook wel ‘vader van de heavy metal’ werd genoemd. De jungle drums van Gene Krupa beïnvloedden de ritmische drive van nummers als ‘Surf Beat’ en ‘Jungle Fever’. Arabische toonladders klonken regelmatig door in de razendsnelle gitaarloopjes en voor ‘Misirlou’ gebruikte Dale een oude Griekse folksong als basis.

Lees ook: Surfrock-legende Dick Dale (81) overleden

In 1964 maakte de Beatlemania een einde aan de kortstondige surfrage. Dick Dale herstelde van darmkanker en bleef doorspelen. Door Pulp Fiction kreeg zijn naam weer nieuwe glans en toerde Dick Dale onder meer door Europa, waar John Peel hem in 1995 eerde met een viertal sessies voor de BBC-radio. Datzelfde jaar maakte hij een surfversie van Camille Saint Saëns’ ‘Aquarium’ voor de attractie Space Mountain in Disneyland.

Nadat hij bij het surfen gewond was geraakt aan zijn been en een infectie opliep door vervuild water, wierp Dick Dale zich op als milieuactivist. Geplaagd door suikerziekte en terugkerende kanker bleef hij na chemotherapie tot op hoge leeftijd doorspelen. Dat hij naar eigen zeggen anders „dood zou neervallen” had een dubbele betekenis: Dick Dale had het geld nodig om zijn ziekenhuisrekeningen te betalen, maar had vooral de zendingsdrang om zijn surfmuziek hoog te houden. Wie hem heeft zien spelen voelde zich in de nabijheid van een onstuitbaar natuurverschijnsel.