Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Charisma

Een paar keer per jaar eet ik met een groepje vrienden. De gesprekken zijn vaak dezelfde, maar het is weleens prettig om vooraf te weten welke mening eruit komt als je op een knop drukt. Hoe grijzer de haren, hoe decadenter de restaurants, bedacht ik me zaterdag ineens, maar dat kan natuurlijk ook aan de stad Amsterdam liggen.

„In de Pijp zijn geen gewone eetcafés meer”, zei de vriend die het organiseerde. We zaten in een van de concepten van Freek van Katja, die we in kokskombuis zo nu en dan voorbij zagen vliegen terwijl hij met een garde in een glimmend kommetje sloeg. Een van de gerechten op de kaart was er ‘bloemkool’ (16,50 euro).

Tussen de blinkende bovenlaag ontwaarden we plotseling Ruud Gullit, dé jeugdheld van een van ons.

Hij keek een paar keer bijna verlegen over zijn schouder en nam ons mee naar het Eindhoven van eind jaren tachtig. Het was Ruud Gullit die zijn PSV bij de hand nam en naar de grotemensenwereld wandelde en die hand daarna ook weer plotseling losliet en naar Milaan vertrok.

Hij was een wereldster met dito uitstraling. Ineens die herinnering: Ruud Gullit die in 1987 de Gouden Bal opdroeg aan Nelson Mandela, en dat Nelson Mandela die zeven jaar later kwam halen in het VARA-programma Geef Zuid-Afrika een eerlijke kans.

„Hij is een inspiratiebron geweest voor jonge mensen van over de hele wereld”, zei Mandela destijds tegen Astrid Joosten over Gullit die ernaast stond te glimmen. Sociale media bestonden nog niet, dus er was niemand die dat de omgekeerde wereld vond. Je kon weleens heimwee hebben naar die tijd.

Een half leven verder – hij mislukte als trainer, werkte zelfs nog even voor Terek Grozny, het speeltje van de Tsjetsjeense dictator Kadyrov en was overal ter wereld op televisie als voetbalanalist – is Gullit weer terug op aarde, behalve dan voor mijn vriend die nog moeiteloos een shirt met Philips om dat vijftigerslijf kan fantaseren.

„Wat eet hij?”, vroeg hij na de tweede fles wijn.

„Ribeye met spruitjes, net als jij.”

„Dus niet die bloemkool?”

„Nee.”

„Gelukkig.”

Bij het weggaan werden we op de stoep bijna omvergereden door een man met een mutsje op een scooter. Ik zei dat het Ruud Gullit was, maar zelfs dat deed geen afbreuk aan de herinnering. Later zei iemand: nu wil hij ook een scooter.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.