Vrouwen in wetenschap krijgen minder onderzoekstijd

Nederlandse universiteiten Mannelijke wetenschappers met kinderen mogen 45 procent van hun tijd aan onderzoek besteden. Vrouwen maar 40 procent

Foto Lex van Lieshout/ANP XTRA

Vrouwelijke wetenschappers besteden in Nederland minder tijd aan onderzoek en meer tijd aan onderwijs dan mannen. Met vrouwelijke wetenschappers die kinderen hebben, wordt gemiddeld afgesproken dat ze 40 procent van hun werktijd aan onderzoekstijd kunnen besteden; bij mannelijke wetenschappers met kinderen is dat 45 procent. Bij wetenschappers zonder kinderen is er geen sekseverschil in de afspraken over onderzoekstijd, maar in de praktijk besteden vrouwen gemiddeld 3 procent van hun tijd meer aan onderwijs en minder aan onderzoek dan mannen: zo’n 52 uur per jaar.

Dat blijkt uit onderzoek van de psychologen Ruth van Veelen en Belle Derks van de Universiteit Utrecht onder een redelijk representatieve steekproef van ruim vierduizend wetenschappers aan alle veertien Nederlandse universiteiten, uitgevoerd in opdracht van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren.

Onderzoekstijd is belangrijk, omdat wetenschappers in hun carrière vooral op hun onderzoek beoordeeld worden, veel meer dan op onderwijs geven. Het onderzoek van Van Veelen en Derks kan niet verklaren waarom vrouwen met kinderen minder onderzoekstijd krijgen toebedeeld. Het gold voor zowel parttime als fulltime werkende wetenschappers. Van de mannelijke wetenschappers werkt 87 procent fulltime, van de vrouwen 73 procent (dat is minder, maar wel veel meer dan het landelijk gemiddelde van 29 procent).

Misschien, opperen de psychologen, wordt over vrouwen met kinderen gedacht dat die minder ambitieus of competent zouden zijn dan andere wetenschappers; zo’n zogenoemde motherhood penalty is bekend uit ander onderzoek. Of misschien zijn vrouwen met kinderen in Nederland écht minder productief, omdat de zorg voor de kinderen hier nog steeds meer op de moeder dan op de vader neerkomt. Dat zou nader onderzoek dan moeten uitwijzen. In de steekproef had 72 procent van de mannelijke wetenschappers en 63 procent van de vrouwen kinderen.

Dat in de praktijk een deel van de onderzoekstijd van vrouwen door onderwijs wordt opgeslurpt, zou volgens Van Veelen en Derks kunnen komen doordat studenten meer ondersteuning van vrouwelijke docenten verwachten dan van mannen. Ook zijn studenten geneigd vrouwelijke docenten negatiever te beoordelen, waardoor die extra hun best moeten voor vergelijkbare evaluaties. Dat is allebei uit eerder onderzoek gebleken.

Vrouwelijke wetenschappers hadden verder minder dan mannen het idee dat ze genoeg onderzoeksmiddelen, reisbudget en assistentie hadden, en vrouwen hadden 3 procent minder kans op een eigen kantoor nadat gecorrigeerd was voor functieniveau. Vaak wordt gezegd dat vrouwen onvoldoende onderhandelen, maar vrouwen namen juist vaker dan mannen het initiatief te onderhandelen over hun arbeidsvoorwaarden. Dat komt doordat ze daar meer reden toe hebben: ze zijn gemiddeld vijf jaar jonger, zitten op lagere posities dan mannen en hebben vaker een tijdelijk contract. Maar vrouwen ervaren in hun onderhandelingen minder ruimte dan mannen, bleek ook uit het onderzoek.

De sekseverschillen zijn niet gigantisch, maar volgens Van Veelen en Derks kunnen „in de sterke competitie om academische posities” ook kleine verschillen „in de loop der tijd tot grote verschillen in uitkomsten leiden”. In nieuw Europees onderzoek staat Nederland op plaats 27 van 32 voornamelijk EU-landen als het gaat om vrouwelijke onderzoekers in universitaire topposities (hoogleraren), net boven België, Luxemburg, Tsjechië, Israël en Cyprus.