Naar een schietbaan? Hoe kom je daar nou bij?!

Kritische reacties

‘Wat?! Gaan jullie naar een schietbaan?! Hoe kom je daar nou bij?!” Van vage kennissen tot eerstegraads geliefden en familie: ze reageren met verbazing, verbijstering of afschuw.

Hoe ik erbij kwam? Nou, vijf dagen voordat zoon zeventien werd, keken we naar een aflevering van The Bridge waarin de heldin haar vaardigheden op de schietbaan trainde. Ik wilde iets leuks met hem doen – en hij reageert niet altijd laaiend enthousiast als ik een boswandeling voorstel. Ineens flapte ik eruit: „Lijkt het je leuk een keer te schieten?”

„Ja! Zullen we dat doen?”

Ik zocht op internet en mailde de club die mij het degelijkst leek. Of we het een keer mochten proberen, bij voorkeur komende zaterdagmorgen, op zoons verjaardag. Ja hoor, we waren welkom. Twee uur blijven we er, we schieten met luchtbuks en luchtpistool en drinken koffie met clubleden, zachtaardige lieden.

Vervolgens zet ik een foto op Facebook. Ik krijg een salvo aan reacties.

Ik ben benieuwd of ik veel kritiek oogst. Ik verwacht ook corrigerende adviezen van stoere kerels die zichzelf als wapenexpert beschouwen, en dat is net zo goed een vooroordeel. Eén merkt op dat ik het geweer niet goed vasthoud. „Rug recht”, zegt een ander, „meer in het schot hangen!” Ik volgde de raad van de instructeur nauwkeurig op, maar dit advies zat er niet bij.

„Word je jager?”, vraagt iemand. Absoluut niet. Ik heb lijdende dieren doodgemaakt, maar ik vind het altijd een rotklus. Zwerende myxomatosekonijnen, vergiftigde ratten, kikkers waar een kat de achterpoten van afgebeten had, een eend waarvan de hals door hagelkorrels was doorboord en die zijn kop liet hangen. Hagel, daar zou ik nooit mee schieten.

Voor de grap reageer ik met een citaat van Ulrike Meinhof: „Er is geen wapen van de bourgeoisie dat niet omgedraaid en tegen haar gericht kan worden.” Voor de grap dus – op mensen zou ik al helemaal niet schieten. Ik ben trouwens niet altijd tegen jacht, al heb ik er zelf niet de minste neiging toe. Maar schieten vind ik leuk!

„Oooh lieve Koos, het staat wel stoer, maar zo niks voor jou!” Toch wel, ik vind het leuk. Een luchtbuks is veel lichter dan het geweer waarmee ik eerder heb geschoten. Dat was op Groenland, waar ik alleen gewapend de toendra op mocht. Volgens de instructeur kon je met dat geweer op vijf kilometer een ijsbeer raken. Dat leek me geen sinecure. Zelfs bij windstilte zou een afwijking van een millimeter op zo’n afstand tot een misser van vijf meter leiden. Het zware kaliber bleek vooral uit de harde terugslag, de daverende knal en het gewicht van dat kreng, dat tijdens lange voettochten aan mijn schouder hing. Gelukkig hoefde ik niet op een beer te schieten.

„Ik maak me zorgen”, waarschuwt iemand. „Waar is dit op gemunt?”

„Op een kartonnetje”, antwoord ik. Het mikken op een steen of schietschijf is leuk. Het gaat om houding, spierbeheersing, concentratie, ademhaling… En om raken, net als bij petanque en basketbal.

„Maar toch…”