Opinie

Gebed

Mijn dochters zitten op voetbal. Op een dag zullen ze op rugby zitten, maar nu zitten ze nog op voetbal. (Het vaderschap is een reeks harde onderhandelingen, schijnbare compromissen en uiteindelijke nederlagen.) Zondagavond klokke zeven kijken we Studio Sport. Om redenen die niemand kan begrijpen zijn ze voor Vitesse en AZ.

Het is een mooie zaterdagmorgen in maart, een beetje nevelig nog, het lijkt of er gaasdoek voor de lage zon hangt. Naast het veld waar mijn oudste dochter op doel staat, is nog een wedstrijd gaande. De spelers zijn acht, negen jaar oud, die van de thuisploeg zitten bij mijn kinderen in de klas. Voor de linksachter heb ik een zwak; een gevoelig, eenzelvig kind dat opgroeit in een eenoudergezin. Er is iets onbeschermds aan hem, alsof hij zonder schil ter wereld is gekomen. In zijn team, heb ik voor de wedstrijd van een van de vaders gehoord, is hij de pispaal. Dat is een woord dat ik slecht verdraag. Het heeft een afschuwelijke betekenis, een smerig object waartegen een hond zijn gevoeg doet – het zou niet in één adem met een kind genoemd mogen worden, een jongetje dat met grote ogen en een enigszins verbijsterde blik de wereld in kijkt.

Nu, in de tweede helft bij twee doelpunten voorsprong, roept de trainer hem naar zich toe aan de zijkant van het veld en zegt zonder een spoor van vaderlijkheid of vriendelijkheid: „En nou ga jij jagen anders wissel ik je”.

De jongen knikt ernstig, doordrongen van zijn taak; hij zal jagen, hij wil niet worden gewisseld.

De trainer is een grote, buikige man, het is hem menens. De jongen is aan zijn zorg en autoriteit toevertrouwd, dit is de man die hij zich zal herinneren als zijn eerste trainer, een chagrijnige reus met een ballon onder zijn trainingsjasje. Deze man vertegenwoordigt de wereld, hij is de wereld zelf, hij heeft de bevoegdheid om onaangenaam tegen hem te doen en hem te vervangen wanneer hij wil. Het is een harde wereld, die van deze man, begrijpt hij; hij zal koste wat kost proberen zich aan te passen. Om niet gewisseld te worden. Om niet getreiterd te worden en geen pispaal meer te zijn. Gaandeweg zijn leven zal hij zijn innerlijk pantseren en proberen zijn gevoelens te laten afsterven. Om bij de wereld te horen, zal hij erop moeten gaan lijken. Hij is op de groep aangewezen, zonder de groep is hij een zwevende punt in de duisternis; de jongen zal alles in het werk stellen om er niet buiten te vallen. Hij zal zijn verbijstering over het leven op aarde leren verbergen achter onverschilligheid, of, als dat niet genoeg is, achter bitter cynisme. Maar zijn diepe verlegenheid zal er niet door verdwijnen, niet werkelijk – ondergronds zal die hem altijd vergezellen.

Ik begrijp mijn aangedaanheid niet goed wanneer ik naar hem kijk, jagend nu, met rode wangen en in een voetbalbroek die rond zijn benen wappert; een jongen van acht met een grote, ernstige opdracht in de wereld. Onwillekeurig denk ik aan een hond die achter de fiets van zijn baas aan rent – een luchthartig beeld op het eerste gezicht, de baas op zijn fiets en het dier er hijgend achteraan, maar waar je in werkelijkheid naar kijkt is de panische angst van de hond om achtergelaten te worden, onbeschermd te zijn en in eenzaamheid te sterven; de oerkracht die het roedel samenbindt.

In welk pantheon leeft er een vriendelijke godheid die zich ontfermt over jongetjes die een beetje verbijsterd de wereld in kijken, en ze beschermt tegen mannen met barse bevelen op hun lippen, tegen eenzaamheid en minachting? Vertel het me, en ik zal hem aanroepen.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.