Opinie

Bestaansrecht van de provincie verdient een serieuze discussie

Statenverkiezingen

Commentaar

Nederland kan komende woensdag naar de stembus voor twee van de meest onbekende en onbegrepen bestuurslagen van het land: de Provinciale Staten en de waterschappen. Dat er op weg naar deze verkiezingen toch sprake is van politieke opwinding heeft alles te maken met een afgeleide hiervan. De leden van de Provinciale Staten die volgende week worden verkozen, kiezen op hun beurt eind mei de leden van de Eerste Kamer. Alle peilingen wijzen erop dat de coalitie straks niet meer over een meerderheid in de Eerste Kamer beschikt. Dat zal rechtstreeks terugslaan op het functioneren van het kabinet.

Zoals gebruikelijk ging het bij de nu bijna afgelopen verkiezingscampagne – of wat daarvoor moet doorgaan – dus ook nauwelijks over de Provinciale Staten en al helemaal niet over de waterschappen. Het eerste grote verkiezingsdebat op televisie werd gevoerd door de fractievoorzitters uit de Tweede Kamer met onder andere de kleur van Zwarte Piet als brandende kwestie. De radio deed nog een dappere poging dichter bij het doel van de aanstaande verkiezingen te blijven door de ‘lijsttrekkers’ voor de Eerste Kamer voor een debat uit te nodigen. Alleen kent de Eerste Kamer formeel geen lijsttrekkers omdat er ook geen rechtstreekse verkiezingen zijn. Het was met andere woorden allemaal heel veel ‘doen alsof’ , en dat bij één van de belangrijkste democratische grondrechten.

Tekenend is dat de meeste partijen zelfs geen enkele moeite meer doen om bij het onderwerp van de eigenlijke verkiezingen te blijven. De over de twaalf Nederlandse provincies verdeelde 570 statenleden zitten er wederom niet bij de gratie van hun verkiezingsprogramma maar hoofdzakelijk vanwege de prestaties en uitlatingen van hun partijgenoten in Den Haag.

De klacht is zeker niet nieuw. Maar verontrustend blijft het dat geen enkele poging wordt ondernomen om de democratische legitimatie van het provinciaal bestuur te verbeteren. Daarbij gaat het dan tevens om de rol die de provincie als middenbestuur in de sterk veranderde samenleving nog kan spelen. Want een bestuurslaag die soms geringschatttend gekwalificeerd wordt als ‘slijtend kraakbeen’ of ‘roestend scharnier’, heeft een probleem.

Zes jaar geleden lanceerde toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk (PvdA) nog een revolutionair plan. Hij wilde de bestaande twaalf provincies omvormen tot vijf landsdelen. De leidende gedachte hierbij was dat taken en omvang van het bestuur meer met elkaar in overeenstemming moesten worden gebracht. Want sinds Thorbecke in 1848 zijn blauwdruk voor de bestuurlijke inrichting van Nederland ontvouwde was er op dit vlak het nodige veranderd. Bijvoorbeeld de gemiddelde grootte van gemeenten die met een factor 14 was toegenomen.

Het liep helaas op niets uit. De immer krachtige lobby van regionale bestuurders wist de voornemens van Plasterk vakkundig te torpederen. Een jaar later trok hij zijn plan al weer in en kon zijn voorstel op de indrukwekkende stapel van afgewezen bestuurlijke herinrichtingsvoorstellen worden gelegd. In het regeerakkoord van het huidige kabinet wordt de provinciale indeling wijselijk ongemoeid gelaten.

Het ongemak bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten blijft dat anders dan bij de Tweede Kamer of de gemeenteraad voor de kiezer onduidelijk is of en in welke mate hij met zijn stem het verschil kan maken. Dat geldt des te meer nu de afgelopen jaren taken van de provincies zoals de jeugdzorg zijn overgeheveld naar gemeenten. De provinciale taken liggen tegenwoordig vooral nog op het gebied van de ruimtelijke ordening. Maar ook daar wordt de rol voor de provincie minder nu de gemeenten hier binnenkort als gevolg van de Omgevingswet een grotere taak krijgen.

Kortom, wat voor politieke rol speelt de provincie nog? „Provincies zijn steeds meer van het overleg en proces”, wordt in de deze week verschenen bundel ‘Provinciale Politiek’ gesignaleerd. Het is niet echt een reden om kiezers te mobiliseren naar de stembus te gaan. De afgelopen dertig jaar schommelde de opkomst bij de vierjaarlijkse verkiezingen voor de Provinciale Staten altijd rond de 50 procent. Gezien het diffuse karakter van de verkiezingen valt dat cijfer eigenlijk nog mee. Maar die opkomst heeft meer te maken met de indirecte samenstelling van de Eerste Kamer dan met de provincies. Er is dan ook alle reden om over het bestaansrecht van de provincie te blijven nadenken.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.