Opinie

    • Jan Drentje

Waar blijft de Urgenda voor het onderwijs?

Onderwijsblog Kinderen hebben recht op onderwijs. Dus ouders kunnen procederen zodat hun kinderen dat ook krijgen volgens rector Jan Drentje.

Jerry Lampen/ANP

Dagelijks worden in het basisonderwijs klassen naar huis gestuurd, groepen aan het werk gezet onder begeleiding van een ouder, zij-instromer of een overbelaste directeur. Inmiddels is het geen nieuws meer. Er is zelfs een site waarop per dag wordt bijgehouden hoeveel kinderen per dag geen les krijgen.

Onderwijs is een kerntaak van de Overheid. Artikel 23 van de grondwet bepaalt dat de overheid in iedere gemeente moet zorgen voor algemeen vormend lager onderwijs. Nog even en ouders dagen de staat voor de rechter. De overheid bepaalt namelijk zelf de verplichte onderwijstijd en zou dus in gebreke kunnen worden gesteld, net als bij de Urgenda-zaak over de tekortschietende reductie van uitstoot van broeikasgassen.

Ook in het voortgezet onderwijs is het steeds moeilijker om vacatures goed te vervullen. Scholen kondigen aan vakken te zullen schrappen omdat ze geen geschikte kandidaat kunnen vinden. Zelfs in regio’s waar het aantal leerlingen daalt, blijven vacatures onvervuld.

Het percentage academici voor de klas neemt snel af. Het gemiddelde opleidingsniveau daalt al jaren.
Er is dus sprake van een echte onderwijscrisis. Want voor hoogontwikkelde postindustriële staten is kwalitatief hoogwaardig onderwijs zo ongeveer de belangrijkste voorwaarde om zich verder te kunnen blijven ontwikkelen. Daarmee is de onderwijscrisis een crisis van de samenleving.

Vandaag staan voor het eerst in de geschiedenis leraren basisonderwijs tot en met universitaire docenten gezamenlijk op het Malieveld. De staking is weliswaar georganiseerd door de AOB, maar krijgt draagvlak door de steun van door leraren zelf in het leven geroepen actiegroepen. PO-, VO- en WO- in actie.

Wat de leraren bindt, is eenvoudig samen te vatten: ze moeten relatief grote aantallen leerlingen, studenten bedienen in omstandigheden waar ze te weinig invloed op kunnen uitoefenen tegen een loon dat al decennia achterblijft bij de loonontwikkeling in andere sectoren. Werkdruk, loon en zeggenschap. Daar gaat het om.

Salaris doet ertoe

Recent is het nog eens onderzocht: een beter salarisperspectief doet er bij de keuze voor het leraarschap wel degelijk toe. Jongeren die bijvoorbeeld economie, natuurkunde of wiskunde studeren, hebben genoeg mogelijkheden om werk te vinden. Sommigen van hen voelen best iets voor het onderwijs, uit idealisme, liefde voor het vak, op grond van positieve onderwijservaringen, maar de combinatie van werkdruk en salaris maakt de keuze voor het onderwijs per saldo onaantrekkelijk.

Dit weten we eigenlijk al jaren. Heel even leek het de goede kant op de te gaan. In 2007 publiceerde Rinnooy Kan het verrassende rapport Leerkracht! De inleiding kan anno 2019 zo op het Malieveld worden voorgelezen. Het kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekort is dramatisch. Als we nu niet ingrijpen zijn de doelstellingen van de kenniseconomie binnenkort niet haalbaar meer. Dus: stimuleer academisch opgeleide leraren, ook in het basisonderwijs, en betaal de beroepsgroep in de hoogste schaal.

Daarvan is weinig terechtgekomen. Minister Plasterk kwam met een miljard en een functiemix. Inderdaad gingen aanvangssalarissen omhoog en steeg het loon sneller, maar wie van een academische PABO afstudeerde, had nog steeds een beroerd salarisperspectief. Nadien werd vooral de nullijn aangehouden waardoor het reële loon weer verslechterde. De functiemix werd een bron van ergernis omdat inschaling geen recht was, maar onderdeel van het door schoolbesturen zelf vorm te geven personeelsbeleid. Daardoor worden veel academisch opgeleide leraren nog steeds in de laagste schaal betaald. Exit Leerkracht. Zullen we het rapport gewoon herdrukken en nu wel uitvoeren?

Veel uren draaien

Ook hier laat de statistiek gewoon zien dat leraren in Nederland relatief veel uren draaien voor gemiddeld grote groepen. Bovendien moeten zij steeds meer zorgleerlingen binnenboord houden omdat er sterk bezuinigd is op het speciaal onderwijs. Dit leidt tot filmpjes op het journaal van juffen en meesters in het basisonderwijs met een klas van rond de 30 leerlingen waarvan er 10 een ondersteuningsbehoefte hebben waarvoor te weinig mankracht aanwezig is. En ouders die op de stoep staan om voor hun oogappel zorg en onderwijs op het hoogste niveau te vragen. Daar heeft op den duur echt niemand zin meer in. Zoals de lol er snel af gaat als een universitair docent veel massale hoorcolleges moet geven die in uren nauwelijks meetellen in de taakbelasting. En wel honderden tentamens moet nakijken.

Hier is een verkeerd rendementsdenken de maatstaf geworden. De onderwijsproductie per werknemer wordt evenzeer opgevoerd als de intrinsieke waarde van het onderwijs uitgehold. Ook dit wordt al jaren naar voren gebracht. Herlees de mooie column van Henk Hofland uit 2000. Het effect van verwaarlozing van het onderwijs vergelijkt hij treffend met een gletsjer die langzaam de samenleving inschuift.

Zeggenschap

Nog niet eerder in de geschiedenis hebben zoveel professionals zich met het onderwijs bemoeid die zelf geen lesgeven. En melden zich minder jongeren aan voor de lerarenopleiding. Er is een oerwoud ontstaan van sector- en adviesraden. Binnen grote onderwijsholdings zijn de staffuncties sterk uitgebreid. Nu verschilt de overhead per sector, maar de trend kan in het HBO goed worden waargenomen. Als het aantal daadwerkelijk ingeroosterde onderwijsactiviteiten als maatstaf wordt genomen, is dat hooguit eenderde van de lump sum.

Onderwijsontwikkeling, ICT, examinering, kwaliteitszorg, studentenbegeleiding: alle randvoorwaarden van het onderwijs zijn geprofessionaliseerd. Maar de kerntaak is en blijft toch de kennis- en cultuuroverdracht door docenten. Over de invulling van die taken hebben zij minder zeggenschap dan in het verleden en ze hebben er minder tijd voor. Terwijl we weten dat hoogopgeleide professionals gemotiveerd worden als ze invloed hebben op vorm en inhoud van hun werk.

Bij de cruciale keuzes in de lump sum hebben zij vaak het nakijken. Onlangs vond hierover een hoorzitting in de Kamer plaats. Iedereen is het erover eens: besturen moeten meer verantwoording afleggen over keuzes en de medezeggenschap van leraren wordt versterkt.

Het probleem is dus onderkend. Maar de praktijk zal weerbarstig zijn. In grote onderwijsholdings zijn begrotingen van deelscholen en afdelingen geïntegreerd. Een centraal percentage voor facilitaire diensten zegt niet veel. Het gaat om concrete keuzes in de scholen zelf: wel of geen extra conciërge, meer of minder lesuren voor een vak, meer of minder geld voor leerlingbegeleiding. De praktijk is vaak dat onderwijsholdings eerst de kosten van de centrale diensten afromen en als die kosten stijgen, blijft er voor het onderwijs domweg minder over.

Maar, ook als er wel genoeg geld is, kunnen prioriteiten worden gesteld die niet direct samenhangen met het primaire proces. Centrale diensten kennen hun eigen dynamiek en staan dichter bij het management dan de leraren. Bovendien zorgt nieuwe regelgeving van de Overheid al snel tot nieuwe beheerslasten. De bekende leraar economie en publicist Ton van Haperen pleit daarom voor afschaffing van deze manier van lump sum bekostiging die de leraren structureel op achterstand stelt.

Terug naar het declaratiestelsel willen zowel de politiek als de onderwijsbesturen beslist niet. Maar: de huidige crisis in het onderwijs kan niet los worden gezien van de manier waarop het onderwijs wordt bestuurd en gefinancierd. Er zijn ook good practices zoals het beleid dat Kees Boele van de Hogeschool Arnhem/Nijmegen voorstaat – terug naar waar het in het onderwijs echt om gaat.

De kunst van onderwijsmanagement moet zijn: centraal faciliteren dat decentraal betekenisvolle onderwijskundige keuzes kunnen worden gemaakt. Zoals de nieuwe voorzitter van Onderwijsraad Edith Hooge in haar oratie heeft betoogd, is bestuurlijke autonomie in de praktijk beperkt gebleven tot financiën en beheer. Met alle kwalijke gevolgen voor het onderwijs van dien.

Loon inhouden voor demonstreren

Dat veel onderwijsbesturen de acties van vandaag niet daadwerkelijk steunen en hebben laten weten zelfs loon te zullen inhouden, tekent de vervreemding tussen bestuur en leraren. Dat is pijnlijk. Het kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekort is ook hun zorg. En als veel leraren het vertrouwen in lapmiddelen hebben verloren, dan is dat een belangrijk signaal dat zij niet mogen negeren. Zij zouden bij wijze van spreken de reis- en verblijfskosten moeten willen vergoeden.

De sectorraden, het ministerie en tal van organisaties zijn druk bezig met onderwijsbeleid en dus ook het lerarentekort. Niemand kan de beide onderwijsministers verwijten dat zij op hun handen zitten.
Maar het soort maatregelen dat wordt genomen staat te ver af van de praktijk van de leraren. Hun positie is in de schaalvergroting van de afgelopen decennia gemarginaliseerd. Doen we daar niet echt iets aan, dan zal het lerarentekort inderdaad een gletsjer zijn die op het ogenblik al dreigend de samenleving inschuift.

Jan Drentje is rector voor een school voor volwassenonderwijs en docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Groningen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Jan Drentje