Thuis is: de rivier, de polder, het weiland

Statenverkiezingen Nederlanders voelen zich minder verbonden met hun provincie dan met hun plek of streek. Pas bij een politieke aanleiding stolt de provinciale identiteit.

Foto's (van links naar rechts en boven naar beneden) Walter Herfst, Merlin Daleman, Kees van de Veen, Bram Petraeus, Sake Elzinga, Bram Petraeus

Evert Bredenoord heeft niks met Overijssel: hij is een echte Sallander. Etwin Grootscholten is Westlander, géén Zuid-Hollander. Bert de Haan voelt zich nog het meest thuis in de Noord-Oostpolder, Francisca Kapinga in de Achterhoek. En Zaankanter Marco Post moet van de mensen aan de overzijde van het Noordzeekanaal weinig hebben.

Hoe provinciaal is de Nederlander? In aanloop naar de Statenverkiezingen ging NRC de afgelopen weken in twaalf verhalen op zoek naar het provinciale clubgevoel. De onzichtbare draadjes die de mensen binnen de grensbordjes bij elkaar houden. Of juist de kloven, ruimtelijk of mentaal, die zich weinig aantrekken van bestuurlijke begrenzingen.

Aan lokaal sentiment bleek geen gebrek: stel de vraag of en waar iemand zich thuis voelt, en je hoort over de rivier, de polder, het kanaal of het weiland. Dan gaat het over daarginder, waar de mensen écht anders zijn, of over dat specifieke gevoel, dat ze elders in het land niet begrijpen.

Lokaal identiteitsbesef, dat is er ook in het kleine Nederland volop. En te zien aan de reacties op het staatsingrijpen bij Air France-KLM, zit het met gevoelens van nationale identiteit ook best goed.

Maar daartussen, de provincie?

Mwah. Zelfs in tijden van identiteitspolitiek, als elke eigenheid uitbundig gevierd en verdedigd wordt, wil de provinciale identiteit maar weinig passie losmaken. Iedereen wil ergens bij horen, niemand wil een provinciaal zijn.

Een provinciale identiteit, zegt Kees Terlouw, sociaal geograaf aan de Universiteit Utrecht, steekt meestal pas de kop op als er een politieke aanleiding is. Hij zag het onlangs nog, bij de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden, die ontstond uit drie gemeenten in twee provincies. „Toen kwamen de mensen uit Meerkerk er opeens achter dat zij helemaal niet bij Utrecht wilden horen. Dat associeerden ze met stedelijkheid, met een uitbreidingswijk, terwijl ze zich in Zuid-Holland juist bij het landelijke gebied voelden horen.”

Zo zie je het steeds: pas onder druk stolt de provinciale identiteit. Dan blijkt Flevoland écht niet bij de Randstad te horen, Welsum écht Overijssels te zijn, dan maken de Groningers gezamenlijk een vuist en polderen de Zuid-Hollanders zich suf. Je zag het ook in de felheid van sommige lezersreacties op het profiel van ‘hun’ provincie. Wat die identiteit ook was, zó toch in elk geval zeker níet!

Grote Gevoelens

Misschien zijn de Provinciale Statenverkiezingen wel niet de beste gelegenheid om Grote Gevoelens los te maken. Geen hoogoplopende discussies over vluchtelingen, marktwerking in de zorg of Europa. De thema’s waarover het gaat, zijn op het eerste gezicht weinig sexy: wegen, weilanden, windmolens en woningen.

Maar vraag je ernaar in de verschillende provincies, dan zijn het juist land, water en infrastructuur die mensen bijeenhouden of scheiden. Zoals het kanaal in Noord-Holland, dat de provincie verdeelt tussen ‘arbeiders’ en ‘luchtfietsers’. De wegen in Brabant, die een N-nummer kregen en de dorpen nu doorklieven. De polder in Zuid-Holland, de fiets in Utrecht en het afscheid van de veerboot in Zeeland. Of je je ergens thuis kunt voelen, hangt altijd óók af van de inrichting van het land.

Het blijkt ook uit het onderzoek van Terlouw: gaat het om regionale identiteit, dan wijzen mensen al snel naar het landschap. Dat geldt opvallend genoeg vooral voor hen die later in een bepaald gebied zijn komen wonen. Elect to belong, noemt Terlouw dat. „Ben je ergens geboren, dan identificeer je je met een specifieke plek en minder met de regio. Maar Randstedelingen die naar het platteland trekken, hebben vaak juist regionale streekgevoelens. Ze voelen zich meer verbonden met het type landschap waar ze heen zijn verhuisd dan de specifieke plek waar ze zijn gaan wonen.”

Gewestelijk

‘Provinciaal besef in de randgewesten’, heette een serie die de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1948 maakte, en waarin de „gewestelijke cultuur” niet zonder enig exotisme aan de lezer werd uitgelegd. „In de overtuiging”, aldus de krant, „dat deze stromingen in de randgewesten geen afbreuk van, doch veeleer steun aan het nationale betekenen.”

Alsof men zich er stiekem van wilde vergewissen dat aan de randen van het land geen rebellie broeide, nee, dat de bloei van de „gewestelijke culturen” juist tot sterker nationaal besef zou leiden.

En nog altijd zijn provinciale en nationale identiteit innig verbonden. Kijk naar de blokkeerfriezen, zegt Terlouw, en de manier waarop die werden geduid en gebruikt. „Op die snelweg werd volop gezwaaid met Friese vlaggen. Maar wat verdedigd moest worden was de Nederlandse identiteit: wat wij als land met tradities doen. Het oer-Hollandse werd daar verbonden met de Friese identiteit.”

In verkiezingstijd zie je extra goed hoe flexibel de provinciale cultuur kan zijn. „Problemen benoemen en ze dan aan te pakken, dat is Limburgs Lef”, schrijft de VVD in Limburg. „Net als Fryslân, heeft ook de VVD een traditie met vrijheid”, staat er in Friesland. En in Flevoland: „De VVD wil handelen naar de geest van ir. Lely: vooruitstrevend, innovatief en onderscheidend.”

Ook dat is de provinciale identiteit in Nederland: zacht genoeg om ’m in elke vorm te kunnen kneden, een soort horoscoop waarin iedereen wel iets van zichzelf kwijt kan.

De NRC concludeerde in 1948, „de bewegingscomplexen in onze randprovinciën overziend”, „dat het geen dooie boel is in de randgewesten, dat (…) aldaar regionale stromingen puttend uit provinciale bekkens, hun wateren afvoeren naar het landelijk reservoir, waaruit de nationale springbronnen worden gevoed”.

Juist in tijden van identiteitsstress is het misschien wel fijn een hokje te hebben waar niemand echt vurig bij wil horen en dat daarom iedereen op kan nemen. Provinciaal zijn we uiteindelijk allemaal.