Sneeuw smelt soms sneller op gras en grind dan op grond

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: op welke ondergrond smelt sneeuw het snelst?

De winter spoedt ten einde, meer sneeuw en ijs komt er niet, we moeten het doen met wat we gehad hebben. In Amsterdam verdween de laatste sneeuw op 1 februari, je ziet het hier op de foto liggen. Het lag er een paar uur en zou de nacht niet halen.

Rond 1 februari beleefden we een kwakkelperiode met temperaturen die rond het nulpunt schommelden. Juist onder die omstandigheden kunnen minieme temperatuurverschillen en kleine warmte-effecten door sneeuw of rijp zichtbaar worden gemaakt. De foto toont een plantsoen aan de rand van een volkswijk in Amsterdam die tegenwoordig weer ‘Landlust’ heet maar die vroeger onder ‘Bos en Lommer’ viel. De huizen waren er van de stichting Zomers Buiten en iedereen was er altijd gelukkig. Bij gemeentelijke herprofileringswerkzaamheden was een deel van het plantsoen omgeploegd en juist daar was de sneeuw blijven liggen. Waaróm was niet zomaar te begrijpen.

Verschillende soorten plaveisel

Uniek was de waarneming niet. Verderop in het land had zich iets dergelijks voorgedaan. Dat bleek uit een e-mail van een lezer in Waalre die op 3 februari arriveerde. „Vanuit de trein zie ik groene weilanden afgewisseld met witte akkerlanden. Blijkbaar smelt sneeuw op een weiland sneller dan op zwarte landbouwgrond. De onvolprezen Minnaert schrijft er iets over in deel 2 op pagina 239 onderaan.” Toch wil Waalre weten hoe het zit.

Minnaert, auteur van De natuurkunde van ’t vrije veld, behandelt op de genoemde plaats de volgorde waarin smeltende sneeuw verdwijnt. Op de houten dwarsliggers van de spoorrails bleef sneeuw vroeger vaak langer liggen dan op het grind ertussen, ook was er verschil te zien tussen verschillende soorten plaveisel en ten slotte, noteerde Minnaert, zie je dat sneeuw vaak langer blijft liggen op omgedolven aarde rond net geplante bomen. Het kwam van verschillen in thermische eigenschappen, schreef hij. Daar schoot je weinig mee op.

Als de herinnering niet bedriegt ging het vroeger met die dwarsliggers en de keien ertussen ook wel eens andersom en kwam het bovendien voor dat juist op omgedolven aarde de sneeuw snel verdween. Zeker is dit niet. Wel zitten er foto’s in het AW-archief van weilanden met uitgedroogde koeienvlaaien waarop nog sneeuw ligt terwijl het gras zelf alweer groen is.

Graflucht houdt weinig kou vast

Internet voegt er nog aan toe dat in de bossen van het gematigd klimaat sneeuw altijd eerder smelt tussen de bomen dan daarbuiten (een stralingskwestie) en verder dat op kerkhoven de sneeuw het vroegst verdwijnt boven de graven en pas later boven de plekken waar nog niemand onder de grond is gestopt. Althans: zolang geen zerken zijn gebruikt. Graflucht houdt weinig kou vast.

Weilanden met uitgedroogde koeienvlaaien waarop nog sneeuw ligt terwijl het gras alweer groen is

Het KNMI was zo vriendelijk de Landlust-foto te analyseren. „Een geoccludeerd frontaal systeem trok op de 1e februari van zuid naar noord over het land. De passage ging gepaard met sneeuwval bij een temperatuur van rond het vriespunt. Na de passage werd het droog en steeg de temperatuur tot enkele graden boven nul”, informeert men per e-mail. Aannemelijk is dat de sneeuw in Amsterdam viel bij een temperatuur die net boven nul lag. Geen uitsluitsel is er over de temperatuur van de bodem, maar waarschijnlijk was-ie nul of iets daaronder. Tussen het gras was de temperatuur door de ingesloten lucht net wat hoger gebleven, of hij was, dankzij de betere toegankelijkheid, na de nacht alweer wat opgelopen. Zoiets moet het geweest zijn. De bodem kon een tijdje kou naleveren, het gras niet.

Onbedwingbaar is het verlangen om nu nog even terug te gaan naar het stukje van vorige week. Dat ging onder meer over een tocht (de Coppermine-expeditie) die de Britse poolreiziger John Franklin tussen 1819 en 1822 maakte in het noordwesten van Canada, toen nog in hoofdzaak bevolkt door indianen, pelsdierjagers en een enkele goudzoeker. De winters waren zo koud dat de thee in je beker bevroor. Franklin was niet op het idee gekomen om tenten mee te nemen en zijn dekens stelden ook niet veel voor. „Without tents, they were grateful for snowfall, as it provided an extra layer of insulation over their blankets„, schrijft Wikipedia, dat zwaar leunt op het boek Barrow’s Boys (Fergus Fleming, 2001).

Moderne reddingsdekentjes

Zou het? Sneeuw isoleert, en verse, luchtige sneeuw wel tien keer zo goed als oude, compacte sneeuw, maar alleen zolang ze niet smelt. Denk aan die dekens en hoe ze ’s nachts steeds natter werden. Bevroren die niet overdag?

Had Franklin cum suis wat gehad aan die moderne reddingsdekentjes van PET-plastic met een reflecterende coating? Als je de buitensportadvertenties voor ‘space blankets’ of ‘emergency blankets’ leest zou je het waarachtig geloven. En er is zelfs wetenschappelijk onderzoek (zie bijvoorbeeld Prehospital and Disaster Medicine, 2009) dat het nut van die dekentjes bevestigt. Ze konden een namaakmens (een ‘manikin’) die bij nul graden in de wind op een houten plaat lag aardig warm houden. Maar de Zweedse proefopzet had een pijnlijk tekort: de manikin transpireerde niet. Ga zelf eens een nacht onder zo’n vel plastic liggen: tegen het ochtendgloren ben je drijfnat. En gek van het geritsel.