Niet alleen nog met bits en bytes: uitputtend werk bestaat nog

NRC fotowedstrijd NRC vraagt lezers Nederland in beeld te brengen. Hoe werken wij?

Foto Robbert Frie

Sebastião Salgado gaf de hongersnood in Eritrea een gezicht. De beelden die hij vanaf 1984 maakte, staan gegrift in het collectieve geheugen. De beroemdste is misschien wel die van een graatmager kind in een hangmatje aan een weegschaal. Salgado kreeg het verwijt dat zijn foto’s eigenlijk te mooi waren voor de gruwelen die erop stonden. Daar kon hij niets aan doen, zei hij later. Het licht is daar geweldig en Ethiopiërs zijn nu eenmaal de mooiste mensen op aarde. „Men heeft eenvoudig het recht niet die te vernietigen, heb ik gedacht”, vertelde Salgado toen ik een paar jaar later in Parijs een middag met hem in zijn donkere kamer doorbracht. Hij schonk al zijn royalties aan Artsen zonder Grenzen.

Daarna ging hij landschappen fotograferen, onder bijbelse luchten, in zijn geboorteland Brazilië en in de rest van de wereld. En hij begon het project dat waarschijnlijk zijn belangrijkste nalatenschap is: Workers, over de mensen die nog zware arbeid verrichten, vaak in het verborgene, zwoegend, anoniem maar essentieel werk. Niet zelden: door letterlijk dingen uit de aarde te halen, delven, oogsten, plunderen zo men wil.

Foto Ireen Middel
Foto Cor Boers
Foto Coert Eckhardt
Foto’s Ireen Middel/Cor Boers/Coert Eckhardt

De gouddelvers die in de open mijn van de Serra Pelada als mieren tegen de wanden krioelen. IJzergieters, fruitplukkers, tonijnvissers, koffiebonensorteersters. Russen die olieputten afsluiten in Siberië en die letterlijk in de aardolie zwemmen. En dan zijn er de mannen in New Orleans die varkens besproeien met zout water om te zorgen dat de elektrische stroom waarmee de dieren over een paar minuten verdoofd zullen worden beter geleidt. Mannen die schepen vol asbest slopen op de stranden van Bangladesh. Of schepen bouwen in Polen. En de man die hoort tot de mensen die in Brazilië boias frias heten – zij die koud eten. Hij werkt op een raffinaderij van suikerriet. Hij steekt zijn hoofd uit een distillatiekolom en hij lacht, dronken van de damp. Uit de suiker wordt alcohol bereid voor autobrandstof.

Dezelfde familie

Een dag eerder was een Amerikaanse uitgever bij de fotograaf op bezoek, die een geografische indeling van zijn nieuwe boek voorstelde: „Mijn lezers willen weten wie de Amerikanen, wie de Fransen, wie de Russen zijn!”

„Maar dat is onmogelijk”, antwoordde Salgado. „Het zijn juist dezelfde mensen, in welk land ze ook werken. Ze werken met hetzelfde vuur, riskeren dezelfde verwondingen, zijn op dezelfde manier vies. Ze maken deel uit van dezelfde familie, die ga ik niet van elkaar scheiden.”

Foto Max Alvares Vega
Foto Roelof
Foto’s Roelof/Max Alvares Vega

Het is verleidelijk te denken dat we nu allemaal muiswerkers zijn, achter dezelfde laptop. Dat was ook Salgado’s premisse: straks doet niemand op aarde nog langer zulk werk, laat ik het dus vastleggen voor het voorgoed is verdwenen. Want de robot kan alles beter. En natuurlijk is het internet de grote gelijkmaker, het beeldscherm de plaats (is het een plaats?) waar we dingen (zijn het dingen?) nu maken en slopen en ontginnen en bewerken.

Maar zover is het nog niet, als het ooit al zover komt. Die goudmijn is inderdaad gesloten, maar die andere beroepen zijn er voor zover ik weet nog gewoon (al is het de vraag of dat ook geldt voor degenen die ze uitoefenen). Dat vertellen ook de foto’s op deze pagina’s: we werken niet alleen door bits en bytes te verschuiven, maar zoals het altijd is geweest, in het zweet uws aanschijns, al het werk dat uw hand vindt om te doen en, zoals de farao zegt, door dezelfde hoeveelheid tichelsteen te leveren, uw vastgestelde taak voor elke dag.

Ja, geestdodend en uitputtend werk bestaat nog. Maar als deze foto’s iets laten zien, is dat je ook daar toewijding in kunt leggen. En dat een fotograaf dat zichtbaar kan maken, dat mooi en niet zo mooi hand in hand kunnen gaan. „Het lijkt paradoxaal”, zei Salgado, „maar het is heel eenvoudig, men is respect verschuldigd aan degene die men fotografeert.”