Foto Frank Ruiter

Kunstenares Maria van Kesteren (85): ‘Hout is een noodsituatie’

Lunchinterview Maria van Kesteren (85) is houtdraaister en in het Gemeentemuseum Den Haag is nu een tentoonstelling van haar objecten. „Ik kan niet om de boom heen.”

Voor iemand met een hekel aan hout heeft Maria van Kesteren (85) het verdraaid lang als materiaal gebruikt voor haar kunst. Ruim een halve eeuw is ze al houtdraaier, en wat ze maakt is schitterend. Glanzende, gladde, ronde vormen soms met, meestal zonder gebruiksfunctie. Kommen, schalen, bollen, urnen, armbanden. Musea in binnen- en buitenland hebben werk van haar in de collectie, verzamelaars en collega-kunstenaars koesteren de perfectie van haar ontwerpen en noemen die „verstild”, modehuis Hermès liet objecten van haar hand in groot formaat reproduceren.

En inderdaad, je moet wel heel goed en lang naar een ontwerp van haar turen wil je ontdekken dat het van hout gemaakt is. En dan nog moet je het weten om het te kunnen zien. „Hout is een noodsituatie”, zegt ze. Ze is lang, slank en meisjesachtig opgewonden, we zitten in het etablissement schuin tegenover haar huis in Hilversum en zij bestelt overmoedig een glas rosé. Zekerheidshalve heeft ze Jan de Bruijn (30) meegevraagd, conservator toegepaste kunst en vormgeving van het Gemeentemuseum Den Haag. Hij stelde de tentoonstelling van haar werk samen die dit weekend begint, en hij vult aan waar zij wellicht vergeet.

Om te zeggen dat ze een aversie tegen hout heeft, is misschien wat overdreven, zegt ze. „Want het ruikt best lekker en het voelt heerlijk aan.” Ze is er gewoon niet dol op. De kleur, de structuur, die nerven, dat leidt maar af van de vormen die ze ermee wil maken. Maar goed, houtdraaien is haar ambacht, haar leven en haar lust, dus ze heeft het ermee te doen. Ik kan zogezegd, zegt ze vrolijk, niet om de boom heen. Net zo heeft ze zich moeten verhouden tot de enige vorm waartoe houtdraaien haar in staat stelt: de ronde. Maar van die beperking heeft ze geen last, integendeel. „Ik heb geen behoefte aan wat anders”, en ze had nog wel „honderden variaties” op cirkels, bollen en rondingen geweten, als haar steeds slechter wordende ogen haar het werk niet onmogelijk hadden gemaakt.

„Ik was een beetje, een beetje…”, zegt ze als ik haar vraag naar vroeger. Zesde van zeven kinderen, opgegroeid in Wassenaar. „Mijn zussen, die gingen naar de mms, mijn broer studeerde.” En haar vader, zegt ze, dat was een „buitengewoon sympathieke man” en de „meest nobele mens” die ze ooit gekend heeft. Hij was kleermaker, met niet meer dan veertien, rijke klanten die hun auto met chauffeur stuurden om hem op te halen. „Ze vonden het zonde van de tijd als hij met de fiets moest komen.”

Grootste gemis

En haar moeder? „Ze had veel in haar mars.” Haar moeder had, zegt ze, een heel moeilijke jeugd. Dochter van een Joodse jurist uit Rusland, die haar verwekte bij zijn Duitse secretaresse. „Hij liet wat geld voor haar achter en vertrok. Haar moeder kon niet voor haar zorgen.” Dus kwam ze terecht in een pleeggezin waar al vijf, zes kinderen waren. „Ze ging in hongerstaking omdat ze terug naar haar eigen moeder wilde. Ze was 8.” Haar moeder, zegt Maria van Kesteren, ging haar eigen gang, ondanks haar zeven kinderen en haar vader – ook door een stiefmoeder „verstoten” nadat zijn moeder overleed – liet haar begaan. „Ze was prachtig, zo statig, en hij was trots op haar. Zo mooi als hij haar kleedde, iedereen keek om.” Haar vader zorgde dat er een huishoudster kwam – tante Jansje – en haar echtgenoot Witteman schilde elke dag de aardappelen. „Tussen de middag, als ik thuiskwam van de nonnenschool, keek ik in de pan hoe hij de aardappelen dit keer gesneden had. Heel of doormidden, in de lengte gesneden of in de breedte. Die vormen, dat vond ik intrigerend.”

„Lalalalala”, neuriet ze hardop. Dat zal ze vaker doen als we afdwalen naar haar verleden. „Wát een verhalen”, zegt ze dan, of ze mompelt een paar woorden perfect uitgesproken Engels of Frans. Nog even over die nonnenschool, zeg ik. „O, verschrikkelijk”, rilt ze. Daarna wilde ze naar de tuinbouwschool voor meisjes, een privéschool met internaat, maar dat kon haar vader – die haar nooit iets zou onthouden – niet betalen. „Ik was een beetje, een beetje…”

Apart? Creatief? Eigenzinnig? Conservator Jan de Bruijn raadt het goed. „Zonderling,” herhaalt ze tevreden. „Dat was ik.” Ze ging naar de mulo, en daarna werd ze au pair bij een „welgesteld echtpaar van een jaar of zestig” in Engeland, dat, te oud om zelf kinderen te krijgen, twee weeskinderen had geadopteerd voor wie zij zorgde. Ach, die kinderen, zegt zij. „Ze waren gek op mij.” Ze buigt nu haar lange lichaam over tafel, als om haar mededeling kracht bij te zetten. „Het grootste gemis in mijn leven is dat ik geen kinderen heb gebaard.” Er waren heus mannen in haar leven die met haar een gezin wilden, of zij met hen, maar ze voelde zich te jong, te oud, of hij was helaas „geholpen”.

„Daar ben ik zo van koeien gaan houden,” zucht ze. Ze bedoelt: in Engeland, waar ze ook de koe molk. „Weet je dat het heel mooie dieren zijn, heel zachtaardig?”

Dus daarom eet ze ze ook niet? Net, toen we bestelden, vroeg ze of de kok iets vegetarisch voor haar wilde maken. Nee, schudt ze. Vegetariër werd ze in de oorlog, toen zij met een smoesje werd weggestuurd en bij thuiskomst ontdekte dat haar konijntje was opgegeten.

Liever assistent dan kindermeisje

Zo nu en dan probeer ik ons gesprek op houtdraaien te krijgen, wanneer ze ermee begon, hoe, waarom. Belangwekkende vragen, knikt ze, maar dan moet ze eerst over Frankrijk vertellen, waar ze ook au pair zou worden, maar waar ze, op een markt, een Nederlandse kunstenares ontmoette. Kiddy Esmerian, getrouwd met een gesitueerde, Armeense kunstverzamelaar. Maria van Kesteren was veel liever haar assistent dan kindermeisje. Ze huurde een huis in het dorp, haalde haar rijbewijs en kocht een 2cv. „Alles deden we samen. Huizen opknappen, inrichten, stofferen, tuinen aanleggen. Van waardeloos materiaal maakten we lampen, van dennenappels en takjes dierenfiguren, van lianen vlochten we een kerststuk voor een etalage aan de Champs-Élysées.”

Daar en toen ontdekte ze dat ze meer in haar mars had dan gedacht. Maar goed, lalalala, rondt ze haastig af, ze is vertrokken uit Frankrijk omdat, ze fluistert nu, de man van Kiddy haar iets te leuk begon te vinden.

Het was 1959, ze was 26, terug in Nederland, en toen…? „Ik liep in Utrecht langs een werkplaats, daar stond een man achter een werkbank hout te draaien. Ik ging naar binnen en deelde mee dat ik het vak wilde leren. De man, Henk van Trierum heette hij, antwoordde dat ik de volgende dag kon beginnen.” Vond ze het zo mooi wat hij maakte? Ze schrikt: „Welnee.” Maar? „Ik wilde kunnen wat hij kon.” En toen ze dat na een jaar onder de knie had, begon ze voor zichzelf, met een draaibank die ze van haar leermeester overnam, en een werkplaats in een verlaten duiventoren op buitenplaats Rhijnauwen bij Utrecht. „Ik maakte puur wat ik mooi vond.” Maar altijd: „Rond, rond, rond.”

Regelmaat geeft rust

Ze had, letterlijk, haar draai gevonden en genoot van de monotonie ervan. Met eindeloos geduld bewerkte ze het hout tot het precies de vorm had die in haar hoofd zat. Haar materiaal – bij voorkeur Nederlands hout van iep, es en linde – haalde ze, op haar Solex, bij een aannemer in de buurt. „Buiten, buiten, altijd buiten,” zegt ze. Daar genoot ze ook van. Niet vanwege de natuur, want daar heeft ze „geen interesse in”.

Polders, lantaarnpalen, bruggen, daar houdt ze van. „Ik heb respect voor door de mens gemaakte regelmaat in het landschap.” Haar magere, door het werk gekromde handen bewegen in rechte lijnen over tafel. „Recht, niet krom. Regelmaat geeft rust.”

Doorbraak

„Draaien, draaien, draaien”, zegt ze. Tot ze op het punt kwam dat ze een kast vol scheppingen had, maar geen geld meer. Ze moest haar werk zien te verkopen. De eerste tentoonstelling in een galerie, in Amersfoort, werd meteen haar doorbraak. Bekend vormgever en verzamelaar Benno Premsela herkende haar werk als kunst en introduceerde haar bij conservatoren, musea en galeriehouders. De rest, zegt ze met een weids armgebaar, is geschiedenis.

Ze is uitgegeten, en vraagt of de rest van haar salade in een bakje mag voor thuis. „Ga je nog even mee?”, vraagt ze. Even later steekt ze een arm door de mijne en steken we, haar wandelstok vooruit, schuin de weg over. Haar huis, het oudste van Hilversum, is van binnen zoals het was toen ze er kwam wonen en dat is zo lang geleden (vijftig jaar) dat het weer ultramodern is. Staalgrijze vloerbedekking, industrieel meubilair en aan de muur kunst die net zo goed in het museum kan hangen. Normaal staat in haar huis veel eigen werk, ze heeft het graag om zich heen, maar het meeste is nu opgehaald voor de tentoonstelling in Den Haag.

Lees ook: Het lunchinterview met een tijdgenoot van Maria van Kesteren, de onlangs overleden ontwerper Friso Kramer

Ze gaat me, kwiek en zonder stok, voor naar haar atelier. Een kleine serre, badend in zonlicht en tocht. Meer dan een draaibank staat er niet, het is dezelfde die ze zestig jaar geleden overnam van haar leermeester. Ik ben er, zegt ze, altijd tevreden mee gebleven. Ze tovert een getekend portret van haar moeder tevoorschijn, ze lijkt op een prinses. Ze staat stil bij objecten – van zichzelf en anderen – in haar roestvrijstalen kasten en op bijzettafels. Metaal, hout, nog meer hout, maar kijk, zegt ze triomfantelijk: „Glas.” Ze houdt een vaas omhoog. „Anna-groen glas.” Royal Leerdam, de glasfabriek waarvoor ze het ontwerp maakte, overweegt de vaas opnieuw in productie te nemen. Ze aait de vaas over de voet. „Het is een boomstam, zie je?” Ze lacht. „Het is mijn ode aan de boom die hout voorbrengt.”