Andreas Terlaak

Marja Pruis: ‘Ik haat het om ergens niet de beste in te zijn’

Interview In haar nieuwe essaybundel schrijft Marja Pruis over liegen, de liefde en ouder worden. Ze schaamt zich soms voor haar geheime verlangens. ‘Ik kan zeggen: het is maar een verhaaltje. Maar het ís niet maar een verhaaltje.’

Laat het meteen maar duidelijk zijn: Marja Pruis biedt geen kant-en-klare oplossingen, ook al heet haar nieuwe boek Oplossingen. Het leven, mijn handreiking. „De titel is een beetje ironisch bedoeld”, vertelt ze bij de tweede kop koffie in een Utrechts café aan het Wilhelminapark, vlak bij haar huis. „Tegelijkertijd ook niet, want ik ben altijd op zoek naar antwoorden.” Verwacht geen zelfhulpboek, geen praktische oplossingen, geen versimpeling van het leven. Daar rekenen mensen die het werk van Pruis kennen waarschijnlijk ook niet op.

Marja Pruis (1959), schrijver, essayist, columnist en redacteur van De Groene, staat bekend om haar soms felle literaire kritieken, niet bang om ‘nepschrijvers’ aan te wijzen. Tegelijkertijd (een woord dat ze zelf regelmatig gebruikt, bij Pruis is het vaak én én) wordt ze geroemd om haar lichte pen, humor, zachtheid en haar angst voor koketterie. Haar stukken gaan vaak over vrouwen, over schrijven, over moed en schaamte. Ze strooit met ogenschijnlijk gemak met haar culturele en literaire kennis, haar artikelen zitten vol associaties, niet zelden onder verwijzing naar schrijvers (schrijfsters!).

Oplossingen. Het leven, mijn handreiking is opgedeeld in vijf categorieën: liegen, werken aan jezelf, verliezen, liefde en ouder worden. Ze vertelt hoe het haar neerslachtig maakt dat de wereld van haar ouders verdwijnt, en hoe ze twijfelt tussen het dragen van hakken of gympen. „Op een dag lachen je borsten je uit”, weet ze inmiddels over ouder worden, en in een ander hoofdstuk schetst ze met enige gêne hoe ze zich achter een boom verschuilt wanneer ze achteraan sjokt bij haar hardloopgroepje. „Ik haat het om ergens niet de beste in te zijn.”

Uw verhalen gaan vaak over uw ongemak met de wereld om u heen.

„Je gaat toch van ongemak naar ongemak op een dag, vind ik. Daar moet je mee om zien te gaan. Ik heb bijvoorbeeld aanleg voor stil zijn en ik moet mezelf echt vaak even toespreken. ‘Je bent een volwassen vrouw’, zeg ik dan, ‘reageer eens volwassen’. Zoals ik nu met jou praat, denk ik ondertussen: er is niets aan de hand, dit is gewoon een leuk interview, hup, zeg even wat.”

Ambivalentie is my middle name

Het boek begint met verhalen over liegen. Waarom?

„Van mij wordt best vaak gezegd dat ik eerlijk ben, maar tegelijkertijd denk ik: er zijn zoveel gedachten die ik voor mezelf houd. Ik heb dat altijd een gekke, moeilijke tegenstelling gevonden. Ik probeer zo eerlijk mogelijk te zijn, maar merkte al jong dat dat me in moeilijkheden bracht. Niet dat ik grote geheimen met me meedraag… maar mensen zagen me als een lief kind, terwijl ik ook echt kon sturen. Zo had ik twee beste vriendinnen die om de beurt naast me naar school mochten fietsen – ík bepaalde dat, maar ik zei er niets over.”

Ik vertrouw mijn naasten blindelings, zegt u ergens. „Als ze blijken te liegen dan zullen ze daar wel een reden voor hebben.”

„Dat vind ik heel essentieel. Ik vertrouw hen gewoon echt. Als ze iets niet tegen me zeggen, dan is daar een goede reden voor. En dan hoop ik dat ze dat ook zo over mij denken. Maar tegelijkertijd vertrouw ik mezelf op veel gebieden niet helemaal.”

In een column schrijft u dat u twee meisjes achterna wilt rennen wanneer u hen met een caravan de straat uit ziet rijden…

„…maar daar zit ik in mijn huis, met mijn geschiedenis. Man. Twee kinderen. Ik voel in mijn buik dat ik óók een caravan wil schilderen en weet-ik-veel-waar-naartoe wil. Weg. Met een vriendin. Ik schrijf dat redelijk frank en vrij op, maar ik was vergeten dat ik de column had geprint op de printer bij mijn man, op zijn kamer. Die legde hem bij mij op tafel. Toen schrok ik.”

Waarom?

„Het gaat over loyaliteit. Ambivalentie is my middle name. Ik wil vrij zijn én gebonden. En nu ziet degene met wie ik bijna mijn halve leven samen ben dat ik vrij wil zijn. Het klinkt kinderlijk misschien, maar ik ga er uiteindelijk vanuit dat hij niets leest van wat ik schrijf.”

Is dat ook zo?

„Weet ik niet. Ik heb het hem nooit gevraagd, maar ik denk het niet. Als hij die column over de caravan en de twee meisjes wel heeft gelezen, zou ik me schamen, echt, voor mijn geheime verlangen. Ik zou het gevoel hebben dat ik hem tekort doe, of dat ik dan moet verklaren dat het maar een verhaaltje is. Maar het ís niet maar een verhaaltje, het is gewoon echt wat ik op dat moment denk.”

U schrijft dat je niet alles van elkaar hoeft te weten.

„Ja. Dat je het verhaal samen intact houdt, dat vind ik belangrijk. Dat is volgens mij ook de enige manier waarop je kunt samenleven. Het heeft te maken met elkaar de ruimte gunnen. Niet dat wij er andere relaties op nahouden, maar het altijd maar je gevoelens uitspreken wordt naar mijn idee sterk overschat. Soms wordt het door uitpraten alleen maar erger. Over-analyseren is niet goed, je moet vooral elkaars belangrijkste verhaal zijn.”

Maar u noteert al die gevoelens wél, met de mogelijkheid dat anderen ze lezen.

„Ja. Ik zie die frictie ook wel, maar schrijven is voor mij een gestileerde manier om me uit te drukken. Het echte leven is een andere wereld voor me. Ik hou daar met mijn schrijven geen rekening mee, als ik schrijf waan ik me onkwetsbaar.”

Als je wil schrijven, dan moet je het er niet over hebben, dan moet je het gewoon doen

Waarom zo’n uitgesproken titel? U komt niet echt met oplossingen.

„Nee, maar preciezer dan dit kan ik je niet vertellen hoe je moet marchanderen in het leven van alledag. Ik schets de wildernis waarin je je begeeft als vrouw. Ik ervaar altijd een strijd tussen actief en passief zijn. Passief in de zin van: in een soort vrouwenrol zitten. Dat alles klopt en dat ik er goed uitzie. Leeftijdloos. Dan ben ik in control, maar ik durf me ook bijna niet te bewegen om het beeld niet te verstoren. Toch moet je ook gewoon je jas aantrekken en de wereld in. Iets zeggen tegen iemand die je tegenkomt. Die strijd. Welke oplossingen kun je daar als vrouw voor bedenken? Hou ik mijn tranen in, of niet? Spreek ik mezelf uit, of niet? Vaak zit het ’m ook in hele triviale dingen: doe ik hakken aan, trek ik die oranje broek aan? Of stel ik me verdekt op, in een donkere jas?”

Marja Pruis groeide op in een „harmonieus gezin”, maar wel „een gezin van ingehouden emoties”. Twee broers boven haar, één zus onder haar. Haar vader typeerde zijn oudste dochter – net als zichzelf – als ‘een goede luisteraar’. Pruis: „Achteraf denk ik dat hij mij met dat idee heeft opgezadeld. Ik ben zwijgen als deugd gaan zien, terwijl ik erg hou van vrouwen met een grote mond.”

Ze was de enige thuis die las, al werd er aan haar boekenhonger wel tegemoet gekomen. „Als we op vakantie gingen, nam mijn vader tweedehands boeken van een collega over. Dat was mijn grootste vreugde. Dan deed hij de kofferbak open en daar lagen al die boeken voor mij. Ongelofelijk lief.”

Na haar studie Nederlands en Algemene Taalwetenschap in Amsterdam „verveelde” ze zich negen jaar als redacteur bij de Rekenkamer. Ze ging schrijven voor Lover, „best een radicaal feministisch tijdschrift”, en voor uitgeverij Nijgh & Van Ditmar las ze manuscripten – met gratis boeken als tegenprestatie.

„Jij bent geen schrijver”, zei uw vader. „Anders had je allang een boek geschreven.”

„Misschien bedoelde hij het niet zo erg. Ik keek er zelf ook zo tegenaan: als je wil schrijven, dan moet je het er niet over hebben, dan moet je het gewoon doen. Dat vind ik nog steeds. Als mensen tegen me zeggen, ik ben ook bezig met een boek, dan denk ik: ja hoor, laat eerst maar zien.”

Haar vader stierf in 1995. „In die tijd recenseerde ik al wel voor De Groene, maar ik schreef over buitenlandse literatuur en biografieën en zo. Toen ik mijn ouders’ huis ging opruimen” – haar moeder is inmiddels ook overleden – „kwam ik dat weer allemaal in mapjes tegen. Ze hadden alles van mij bewaard. Mijn vader las alles. Dus zolang hij leefde voelde ik me geremd.”

De vrouwen van nu zijn veel onbekommerder

Daarna bent u steeds meer ‘ik’ gaan gebruiken.

„Schrijven is voor mij een uitkomst. Columns en essays, die gestileerde vorm is precies wat bij me past. In mijn schrijven kan ik mezelf uitspreken. Eigenlijk dus iets doen waar ik niet helemaal op toegesneden ben, namelijk laten horen dat ik er ben en wat ik ergens van vind. Het is voor mij de manier om levend te zijn, mezelf te laten zien en tegelijk te regisseren wát ik laat zien.’

U wordt zestig dit jaar, en juist een jonge generatie schrijvers lijkt u om dat essayistische te waarderen.

„Ja, dat een beetje naast de wereld staan. Niña Weijers, Maartje Wortel, Nina Polak – ik herken hun energie, vrolijkheid en ambities. De manier waarop zij met elkaar vriendschappelijk zijn. Ik vind hun werk goed en voel geen enkel ongemak bij hen. Ik voel me eindelijk thuis in mijn tijd.”

Leg dat eens uit?

„De vrouwen van nu zijn veel onbekommerder. Ze zijn veel vrolijker, minder boos op de wereld en de mannen. En toch mateloos eerzuchtig. Daar herken ik me helemaal in. In mijn ‘echte tijd’, de jaren 80 en 90, zaten we middenin de Tweede Feministische Golf met z’n allen de De tweede sekse van De Beauvoir te lezen. Ik las ook andere vrouwen, vond het interessant, maar toch was het nooit echt mijn literatuur. Strijdbaarheid en fatalisme lagen in elkaars verlengde. Ik wil nu niet mijn oude heldinnen als Margriet de Moor of Vonne van der Meer verraden, maar er was altijd wel iets stereotieps in hun literatuur. Het ging over de huiselijke sfeer, met de verwachtingen van hen als vrouw en moeder. Nu is het hele denken over gender veel opener en vrijer.”

Bent u gelukkiger met de MeToo-generatie?

„Vroeger dacht ik echt dat álles in de wereld te herleiden was tot het man-vrouw-verschil. Dat de wereld was zoals-ie was omdat de balans verrot was, en dat moest veranderen. Nu klopt die balans nog steeds niet, maar nu durf ik eerder te zeggen dat ik de werkelijkheid waarin we ons moeten begeven ondraaglijk vind, of armoedig. In die zin heeft #MeToo veel goeds gebracht. Er worden dingen bevraagd die vroeger normaal werden gevonden. Mannen zijn voorzichtiger en het wordt minder gepikt wanneer er bij een forum alleen maar mannen aan tafel zitten. Vroeger was je zuur of voorspelbaar als je daar iets over zei, nu is het bijna fatsoen. Ik heb ook het idee dat dit niet meer wordt teruggedraaid. Dus ik ben eigenlijk best optimistisch.”

Dan is ze even stil. Kijkt in haar lege koffiekop en zegt: „Ik heb zo’n lange omtrekkende beweging gemaakt. Ik wist altijd wel wat ik wilde, maar het ging met zulke kleine stappen. Ik heb denk ik in de loop der jaren wat meer moed vergaard.”

Marja Pruis, Oplossingen. Het leven, mijn handreiking, Nijgh & Van Ditmar, 286 pag., 21,99 euro.