Recensie

Een geweldig boek over een wereldburger in Friesland (●●●●●)

Joost Hiddes Halbertsma Deze ambitieuze schrijver, oudheidkundige en predikant bezet nog steeds een prominente plaats in de canon van de Friese literatuur.

Joost Hiddes Halbertsma
Joost Hiddes Halbertsma Foto uit besproken boek

Het is hoogseizoen als het om grote biografieën gaat. Na formidabele levensbeschrijvingen van Albert Verwey en Jacob van Lennep verscheen een lijvig, gravend werk over de Friese dominee, schrijver, taal-, oudheid- en volkskundige Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869). Halbertsma was een duizendpoot, nieuwsgierig naar alles. Een duizelingwekkend groot ‘vat vol tegenstrijdigheid’, en een eigenzinnige kerel, aldus Alpita de Jong in haar Joost Halbertsma 1789-1869: een biografie. Triomfen en tragedies van een uitmiddelpuntig man.

‘Het zijn de kleine dingen die het doen…’ Halbertsma zou er instemmend bij hebben geknikt. Het onderwerp Duitse kachels lijkt zo’n klein ding. Hij besteedt er in zijn opstel ‘De Frissche lucht’ (1844) uitgebreid aandacht aan. Halbertsma is daarin niet de eerste. Zijn oudere vriend Willem Bilderdijk had al in 1805 het vers ‘De Duitsche kachels’ gepubliceerd: ‘Wee het Hoofd der hersenloozen/ Dat de vuurvlam in zijn kacheldozen/ En vloekbare ijzerkisten sloot!/ Hy was ’t, die lucht, en bloed, en ademtocht besmette.’

Ook Halbertsma beschouwt die dichte Duitse kacheldozen als verderfelijk, maar grijpt het onderwerp aan om zijn lezers duidelijk te maken dat niet alles van Pruisen zo voortreffelijk is. De veroveringszucht bijvoorbeeld, iets om je tenminste cultuurhistorisch tegen te wapenen. Hoe? Kennis omtrent eigen antiquiteiten insnuiven, ‘die in de lucht zweeft’. Ons concentreren op de ‘Nederlandse vlam’ in de eigen open haard, zo lezen we in ‘Frissche lucht’.

Open of dicht? Joost Halbertsma kiest dus voor open. We moeten dit breed begrijpen. Er is bijna geen aspect van heden en verleden waarvoor hij zijn ogen sluit. Alles is in alles. Als je Halbertsma’s reisnotities volgt, zijn wandelingen door Parijs, Rome of het Friese platteland, zijn oog vangt alle mogelijke details en ziet vaak onverwachte verbanden.

Fries woordenboek

Hetzelfde geldt voor het landschap van de taal. Halbertsma begon een woordenboek voor het Fries. Emancipatorische, cultuurhistorische bewapening. Nationalisme ook? Die kwestie ligt genuanceerd bij Halbertsma. Hij is geen man van ramen en deuren dicht. Frisse lucht. Hij heeft een enorm netwerk aan binnen- en buitenlandse (brief)contacten. Vele hooggeplaatsten en beroemdheden onder hen: Grimm, Thorbecke, Jacob van Lennep om een paar te noemen. En Bilderdijk mag dan ‘een moeilijke, ongezellige figuur’ heten, vriend Joost komt geregeld bij hem thuis piepers eten. Ze delen niet slechts een afkeer van Duitse kachels, beiden zijn ook bevlogen etymologen die de wilde woordverbanden niet uit de weg gaan.

Halbertsma is een beroemdheid. In welk genootschap, welke geloofsrichting of wetenschappelijke discipline dan ook: hij is schier bovenmenselijk actief, laat voortdurend en overal van zich horen en wordt door vele geleerden geraadpleegd. Tegelijkertijd blijft hij een buitenstaander. Paradoxaal. Hij is hartstochtelijk Fries, én wereldburger.

Oudheidkenner Halbertsma laat zich ook vaak uit over actuele kwesties. Hij schuwt geen controverse. Zo juicht hij te midden van de nationale hysterie in Nederland rond de Belgische afscheiding in 1830 juist de zelfstandigheid van de Zuidelijke gebiedsdelen toe. Hij was decennialang doopsgezind predikant in Deventer, een begaafd (s)preker. Zijn uiterst rekkelijke leerredenen maakten hem intussen tot eenling in de door Samuel Muller nogal dictatoriaal geleide Doperse kerk.

De uitmiddelpuntigheid van Joost Hiddes Halbertsma is deels te danken aan zijn gebrek aan wetenschappelijke specialisatie en leerstelligheid, waarschijnlijk ook de reden dat hem ondanks zijn enorme internationale status als taalwetenschapper nooit een hoogleraarschap is toebedeeld.

Een andere factor lijkt minstens zo bepalend: ‘de bochels mijner luimen’, zoals hij het zelf noemde. Als het om zijn veel gebezigde ironie gaat, weet men vaak niet wat men aan hem heeft. Ook het woord ‘boertig’ valt nogal eens. Zijn aardse belangstelling bevat op zijn minst ‘Bruegheliaanse’ trekken, getuige zijn reisbeschrijving van Edinburgh: ‘In het begin dezer eeuw gingen mannen met lange mantels gewapend met emmer en tang door Edinburgh, roepende Who wants me? Wie nood had gebruikte de tang als bril en de emmer als drekvat, terwijl de drekman hem met de arm om de hals en de knie tegen de rug steunde. Let wel op den tang om de harde drollen eruit te knijpen!’ Hij maakte zelfs een tekening van deze openbare verlosmeester.

Ook in de door hemzelf opgestelde lijst met oudheden die hij 1854 aan het Friesch Kabinet van Oudheden schonk lijkt Halbertsma’s (boertige) ironie een rol te spelen: ‘Hindelooper vuurstoof voor de vrouwen. De vrouwen van alle andere beschaafde natiën verachten dien lollepot met reden.’

Literaire evergreens

De Friese literatuur zou zichzelf niet zijn zonder Joost Hiddes Halbertsma en zijn dichtende broer Eeltje. Hun De Lapekoer fan Gabe Skroar (1822) en postume Rimen en teltsjes (1871) zijn literaire evergreens. Ook blies hij nieuw leven in de literaire nalatenschap van de Friese renaissance-dichter Gysbert Japiks (1603-1666), net als Halbertsma zelf prominent in de huidige canon van de Friese literatuur.

Voor een biograaf is hij zo ongeveer een ideaal onderwerp. Hij staat midden in de wereld, is ontzaglijk ambitieus, heeft contact met vele groten van zijn tijd, zijn leven is kleurrijk, beweegredenen en psychologie (bergen en dalen) roepen de nodige vragen op. Alpita de Jong (1962) zette er haar tanden in en schreef een geweldig boek. Nuchter, helder, met smaak voor het ‘uitmiddelpuntige’.

Halbertsma woonde het grootste deel van zijn leven in Deventer, ook na zijn emeritaat als predikant. Aanvankelijk overlaadt hij vrienden en kennissen met Deventer koek, maar in zijn laatste jaren is de verhouding tot de stad een stuk minder hartelijk. In een postuum uitgegeven handschrift vinden we observaties als: ‘Het gemeen is diep onbeschaafd. Het kent geen ander genot dan een hondenbruiloft en zuipen en vreten.’ Deventenaren zijn producten van de ‘moffennatuur hunner Saxische voorvaderen’ en zitten vol ‘betweterij, verkropte toorn en woede’, et cetera. Geen frisse lucht meer in woonplaats Deventer? Het lijkt er eerder op dat de verbitterde, oud en eenzame Halbertsma de lust tot snuiven is vergaan.