Veen-Drent en zand-Drent trekken naar elkaar toe

Identiteit provincies Drenthe kampt met de grootste leegloop van Nederland. Maar juist nu het stiller wordt, trekken de Drenten meer naar elkaar toe. „Ik ga de leegloop met gestrekt been te lijf.”

Foto Sake Elzinga

Toen Willem Gelissen zijn fietsenwinkel zag afbranden op 19 september 2018, schoot deze gedachte door zijn hoofd: zit mijn tijd in Drenthe erop? Al jaren zat het tegen. Zijn vrouw Margret had kanker gekregen, zijn twee volwassen kinderen hadden moeite een bestaan op te bouwen, het tankstation voor de winkel had hij in de zomer verkocht. Mensen tanken liever in Duitsland, een paar kilometer rijden van zijn dorp Schoonebeek. Een tankstation aan de grens, daar verdien je niks mee. Duitse benzine is een paar dubbeltjes per liter goedkoper.

En toen kwam de brand. Willem Gelissen zat te lunchen in de zaak, toen een klant de winkel binnenkwam en zei dat het naar rook stonk. Er was brand uitgebroken in de keuken van zijn huis, boven de winkel. Het gezin kon op tijd vluchten. Zijn twee honden, Jody en Rocky, kon hij niet meer redden.

Dertien jaar

Dertien jaar woont Willem Gelissen (56) in Schoonebeek, een dorp met bijna vijfduizend inwoners in de zuidoostelijke hoek van Drenthe. Hij komt uit Limburg, waar hij het vak leerde in de fietsenwinkel van zijn vader. Willem is import, zeggen ze in Schoonebeek. Hij heeft zich aan Drenthe aangepast, zegt Willem zelf. „Niet gek doen, afspraak is afspraak. Als iemand een fiets komt brengen, is hij dezelfde dag weer klaar.”

Veel mensen zijn de laatste jaren weggetrokken uit Schoonebeek. Willem Gelissen overwoog het ook even, zegt hij, terwijl hij over het zwartgeblakerde terrein loopt waar zijn winkel stond. Er zijn er al zo veel vertrokken. „Iemand vroeg me laatst: ‘Willem, wat hebben die jaren hier je nou voor goeds gebracht?’ Ik zei: ‘Niet veel.’”

Meteen na de brand begonnen buurtbewoners, bang voor een vertrek van de winkelier, geld in te zamelen. Er werd een stichting opgericht. Gelissen kreeg een nieuw hondje, een teckel, die ook Rocky heet. Hij kreeg gratis hondenvoer. De overburen brachten klapstoelen. De kapper bood aan gratis te knippen. Gelissen besloot een nieuwe winkel te bouwen. De winkel heeft hij naar een keet verplaatst, waar de laatste wielerfoto’s van zijn vader hangen die niet verbrand zijn. Er hangt een spandoek aan het hek om het bouwterrein: ‘Dank voor jullie steun, wij gaan door!’ Gelissen is een wielrenner, zegt hij. Zijn vader Hein Gelissen, profwielrenner uit de jaren vijftig, had hem dat geleerd. „Ik weet wat afzien is. Ik heb met mijn gezin moeten lossen in het peloton. Maar ik ben weer terug aan het komen, en straks rijd ik op kop.”

Drenthenieren

De dorpen heten hier Nieuw-Amsterdam, Nieuw-Dordrecht, Amsterdamscheveld. De plaatsnamen in de uitgestrekte Drentse veenkoloniën, in het uitgestrekte oosten van de provincie, zijn een herinnering aan de geschiedenis van het Drentse veen.

Het zijn altijd buitenstaanders geweest, niet-Drentse vrömden, die deze provincie hebben bevolkt.

Friezen, Duitsers, westerlingen kwamen hier in de negentiende eeuw wonen om het land om te ploegen, turf te steken, er een drilboor in te stoppen. En tegenwoordig zijn het de gepensioneerde westerlingen met geld die massaal in de provincie komen ‘drenthenieren’.

De ziel van Drenthe, zegt de Drentse schrijver Gerard Stout, is dan ook grotendeels een ópgelegde identiteit. „De culturele elite, de eerste bestuurders van de provincie, waren notabelen uit het westen. De buitenwereld heeft Drenthe altijd bepaald.”

Drenten laten zich, zegt Stout, altijd onderverdelen in twee archetypes. Je hebt de zand-Drent: meer op de gemeenschap gericht, niet al te religieus, bedachtzaam. En je hebt de veen-Drent: van oorsprong katholieken uit Duitsland of gereformeerden uit Friesland. Individualistisch. Emotioneel. „Dat zijn de mensen van turf, jenever en achterdocht.” In het veen is de werkloosheid het hoogst, de armoede het hevigst, de laaggeletterdheid het grootst.

Foto Sake Elzinga
Foto Sake Elzinga
Foto Sake Elzinga

In 1952 vestigde het Amerikaanse antropologenechtpaar John en Dorothy Keur zich in het Drentse dorp Anderen – een zanddorp. Ze noteerden exact wat ze zagen en schreven een boek over de Drentse volksaard: The Deeply Rooted. Kinderen hebben „opmerkelijk weinig om mee te spelen en vrijwel geen materiaal om de fantasie mee te stimuleren”. Ruzies worden niet uitgepraat, maar „soms wordt, met een uitdrukkingloos gezicht en met een emotieloze stem, toch op het bestaan van spanningen gewezen”. En boven alles heerst „een diepe kern van calvinistisch denken” en gelden „de absolute begrippen van goed en slecht en de sterkte van het ouderlijk gezag”.

Hoe groot de verschillen tussen zand en veen ook zijn, er is een bindende factor, zegt Gerard Stout. Drenthe lijdt onder een groot minderwaardigheidscomplex. Altijd als hij in de regionale pers weer leest dat een toneelstuk of tentoonstelling „niet gek voor iets uit Drenthe is” of „de westerlingen jaloers zal maken”, stuurt hij een boze brief. „Stel je voor dat een Amsterdammer zoiets zou zeggen. ‘Niet gek voor iets uit Amsterdam.’ Die nederigheid is nergens voor nodig.”

Wassenaar van het Noorden

Toch heerst in Drenthe al snel het gevoel van achteruitgang. Ook in Schoonebeek is dat voelbaar. Toen het dorp alleen nog door turfstekers werd bewoond, was de armoede groot. Maar na de Tweede Wereldoorlog begon de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) olie uit de grond te pompen. Overal in de streek verschenen boortorens, pijpleidingen en majestueuze ja-knikkers.

De olievondst leidde tot ongekende voorspoed in het dorp, zegt Albert Doezeman (65), voorzitter van de dorpsvereniging. De NAM bouwde een overdekt zwembad. Er kwamen huizen met overdekte garages, twee voetbalverenigingen (zaterdag- en zondagamateurs), een kegelclub, zangkoren. Nee, zegt Doezeman, dit is Groningen niet. „Na Wassenaar was dit de rijkste plek van Nederland. Niemand is hier tegen de NAM.”

Maar de oliewinning liep vanaf de jaren zestig terug, onder meer door de vondst van aardgas in Groningen (en in mindere mate Drenthe). In 1996 stopte de NAM de productie. In het winkelcentrum van Schoonebeek staat een laatste ja-knikker, als herinnering aan het glorieuze verleden. De streek ontwaakte uit de tijdelijke roes van welvaart. Winkels sloten, jongeren trokken weg naar het westen. Drenthe vergrijst en loopt leeg, maar nergens zo hard als hier.

Stadhuis

Albert Doezeman drinkt koffie in ’t Aole Gemientehoes, dat diende als stadhuis toen Schoonebeek nog een zelfstandige gemeente was. Het fraaie gebouw herinnert nog aan de grandeur van weleer. De dakranden zijn met koper afgewerkt. Er is een prachtige trouwzaal gebouwd. Onder de grond bevindt zich een bunker, voor het geval de Russen kwamen. De bunker is nu een opslagplaats. En het koper is gestolen, zegt Doezeman. Alle 135 meter. „Er is een kroeg dichtgegaan. Het hotel is gesloten. Je had twee supermarkten, nu is er nog één.” Juist omdat ze zo gewend zijn aan leegloop, dachten de Schoonebekers dat ook Willem Gelissen, de fietsenmaker, wel weg zou gaan.

Voorzieningen sluiten overal in Drenthe. Vorige maand werd bekend dat de spoedeisende hulp in ziekenhuis Bethesda in Hoogeveen en die in Stadskanaal, net over de grens met Groningen, gaan sluiten. Bedrijven die hogeropgeleiden nodig hebben, verhuizen naar het westen. Drenthe verliest verder naar schatting zevenduizend banen, omdat de NAM stopt met de aardgaswinning. „En als de drie A’s wegvallen, trekken met name ouderen weg”, zegt Bettina Bock, bijzonder hoogleraar Bevolkingsdaling aan de Rijksuniversiteit Groningen. De drie A’s? „Arts, apotheek, Aldi.”

Bevolkingsdaling

Bevolkingsdaling kun je niet bevechten, zegt Bettina Bock. Je kan je hooguit aanpassen. „Leegloop versterkt zichzelf. Ziekenhuizen sluiten, omdat ze kostenefficiënt moeten werken. Maar ook omdat er geen hoogopgeleid personeel meer in de streek te vinden is. Daardoor verhuizen mensen naar gebieden waar nog wel voorzieningen zijn, zoals de steden.”

De provincie Drenthe probeert de leegloop en vergrijzing te bestrijden met beleidsvisies, stimuleringsfondsen, investeringen in nieuwe, groene energiebronnen en ‘zorgtafels’. Maar, zegt Bettina Bock, het probleem is dat de landelijke overheid er te weinig aan doet. De tijd dat de overheid Rijksdiensten probeerde te spreiden over Nederland, is voorbij. „En in Drenthe wordt er, anders dan in andere provincies, niet graag over gepraat. Er heerst angst dat het de provincie een slechte naam geeft.”

De drie kinderen van Albert Doezeman wonen niet meer in Schoonebeek. Hij snapt het wel. Zijn dochter werkt met ingewikkelde medische apparatuur, daar is geen werk voor in de omgeving. Maar net als Willem Gelissen wil hij van geen opgeven weten. „Ik ga de leegloop met gestrekt been te lijf. Je kan zeggen: o jee, wat moeten we nu? Of je kan het gebruiken om sterker te worden, door als gemeenschap hechter te worden.”

Doezeman heeft het leegstaande gemeentehuis omgebouwd tot dorpshuis. Er is een bibliotheek en een ontmoetingscentrum. Het zangkoor repeteert er, de fanfare komt samen, de schilderclub. Deze ochtend heeft Doezeman koffie geschonken voor de protestantse ouderenbond. Ze nemen afscheid met een zacht „moi” of: „Goed voor mekaar, Albert”. Doezeman heeft 1,7 miljoen euro bij de gemeente Emmen losgepeuterd voor een verbouwing. Er komt een GGD en een dependance van zorginstelling Icare.

Schoonebeek was van oudsher niet zo’n hechte gemeenschap, zegt Doezeman. Nieuw-Schoonebeek, het buurdorp dat werd gesticht door Duitse katholieken, dáár doen ze alles gezamenlijk. „Maar Schoonebeek verandert. Juist omdat we steeds meer ouderen hebben, mensen die vaker alleen zijn, zoeken we elkaar meer op.”

Doezeman begint binnenkort een eetclubje. „Iemand had tegen me gezegd: weet je, in je eentje eten koken is niet erg. Maar het in je eentje ópeten. Vreselijk.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.