Elke keer dat je kan lopen, is er de startstress

42,195 km Schrijver Abdelkader Benali maakt zich op voor de marathon van Rotterdam. Hoe bereidt hij zich voor?

Illustratie Merel Corduwener

De eenzame racefietser die me tegemoetkwam ging dezelfde kronkelige weg als ik, alleen moest hij stoempen waar ik lekker met de wind in de rug laveerde. Wanneer de modder in de plassen de bovenkant van je lippen bereikt, weet je dat de training thuishoort in de categorie beestenweer.

Bij thuiskomst hoorde ik dat de CPC-loop in Den Haag was afgelast. Hardloopmalheur van de hoogste orde. Niet mogen starten voor een belangrijke wedstrijd is enorm frustrerend – dagen, weken, maanden van voorbereiding die niet worden omgezet in een bevrijdende hardloopdaad. Chagrijnig word je van de leegte van het niet mogen lopen: waartoe diende dan al dat trainen?

Niet starten, dat is als leven maar niet mogen sterven. Het startschot niet mogen horen, de pijn van de benen niet mogen voelen. Het ultieme privilege van de hardloper – lijden op eigen risico – niet gehonoreerd.

Elke vorm van troost wordt daarna van de hand gewezen. De wedstrijd was de troost!

Maar elke keer dat je wel kan lopen, is er de startstress. In het laatste uur voor de wedstrijd komt er een zekere waanzin over me: de angst om het startschot te missen. Alles aan mij wordt ongeduld.

Het is om die reden dat ik de grote evenementen ten diepste vrees, hoe aansprekend en gastvrij ze ook zijn. Hoe dichter ik bij de startstreep kom, hoe groter de meute wordt. Al die mensen staan je prestatiedrang in de weg, met startstress tot gevolg. Wat het met je lichaam doet weet ik niet, ik voel wel dat ik er bijna aan onderdoor ga. De spanning neemt alleen maar toe.

Ik ben een paar keer bijna te laat gekomen voor een wedstrijd. Een 10-kilometerloop in Utrecht, waar ik tien seconden voor het startschot in het wedstrijdvak sprong: een overwinning. Het lijkt zo makkelijk: op tijd komen voor de start. Maar dat is het niet. De fanatieke hardloper wil zo dicht mogelijk achter de wedstrijdlopers starten.

Over het hek

Wie over voldoende bravoure beschikt kan ver komen. Mijn tweede marathon was in Rotterdam. Samen met hardloopvriend en psychiater Bram Bakker toog ik naar de havenstad. Bram had een plannetje. Op de Coolsingel sprong hij over het hek, hondsbrutaal. Ik aarzelde en gooide toen mijn geoliede benen ook over het koude metaal. Niemand die het had gezien. Bram Bakker liep relaxed verder, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Lees ook: Een zoektocht naar hoe je het best blessurevrij kunt hardlopen

Het kan ook anders. Een keer mocht ik in de marathon van Rotterdam met de wedstrijdlopers starten. We werden in een luxebus vanuit het hotel naar de Coolsingel gereden. In een grote zaal van het WTC-gebouw kreeg elke loper zijn eigen veldbed om op uit te rusten, een flesje water en eten. In een zijstraat van de Coolsingel konden we naar hartelust inlopen.

Ik was in het hardloopparadijs. Ik startte niet achter de wedstrijdlopers, ik startte met ze.

Toen het startschot klonk, had ik een paar seconden het hemelse gevoel tot de snelste lopers op aarde te behoren. Toen schoof de rest van de wereld aan en was ook dat gevoel verdwenen. En moest ik vechten, net als de rest.

    • Abdelkader Benali