Opinie

    • Ellen Deckwitz

Schaar

Dus je bent in het buitenland, pakt met een vriendin een terras, het wordt later dan bedoeld en opeens zijn er zo veel sterren dat je het gevoel krijgt op de set van Star Wars te zijn beland. Ik overlegde met de vriendin hoe ik thuis kon komen. We bevonden ons in een rustig voorstadje, maar het bleef Zuid-Afrika. Haar hotel was om de hoek, het mijne acht minuutjes verderop. In Kaapstad had ik een taxi genomen, maar hier zag ik ’s avonds zo veel studentes in hun eentje over straat gaan dat ik besloot de gok te wagen.

„Wacht”, zei de vriendin en haalde uit haar tas een schaar die groot genoeg leek om een knotwilg mee om te leggen. „Had ik van het hotel geleend om mijn koffer mee open te knippen, pak aan, je weet maar nooit.”

En zo liep ik in mijn eentje naar huis, met die schaar. Het gereedschap werkte als een versterker voor ieder verdacht geluid: de auto die me inhaalde, de stemmen die opstegen vanachter een muurtje. Ik moest denken aan een vriend die altijd klaagt wanneer zijn dates het met condoom willen doen, omdat hij dan tijdens de seks de hele tijd aan soa’s denkt. Zo dacht ik dankzij die schaar de hele tijd aan geweld. Even was ik weer een meisje, door enge bijbelverhalen, Dutroux en een overbezorgde familie doodsbang gemaakt voor alleen op pad gaan. Als tiener waren die angsten op een zeker moment zo groot dat wanneer ik in de schemering naar huis fietste en er een tegenligger aankwam ik meteen dacht dat het nu toch echt zou gaan gebeuren.

Maar het gebeurde pas jaren later, nota bene in mijn eigen bed. Er was een feestje en iemand die ik al een tijd kende. Ik werd wakker met een kater, terwijl ik niet dronk. Mijn hoofd zat tjokvol flitsen van iets wat ik niet had gewild. De fysieke agressie die ik me er altijd bij voor had gesteld had niet plaatsgevonden: de jongen had een cola voor me gehaald en na een paar slokken werd ik draaierig en had hij aangeboden om me een lift naar huis te geven. Eenmaal daar beland kon ik niet meer op mijn benen staan.

„Jeetje”, zei een toenmalige kennis, „gelukkig was je verdoofd.” Ze liet het klinken als het trekken van een verstandskies. Niet leuk, maar als het dan toch moest dan maar beter pijnloos. Het was genoeg om jaren later, aan de andere kant van de aarde, te hopen dat mijn angstzweet de schaar niet zou aantasten. Dat vrees het materiaal niet zou verzwakken. Te blijven hopen dat ik thuis zou komen, waar ik veilig zou zijn.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.
    • Ellen Deckwitz