Recensie

Is de politieke correctheid van twintigers doorgeslagen?

Politieke correctheid Waarom lijken de twintigers van nu zo snel gekwetst door een andere mening? Drie boeken gaan in op deze overgevoeligheid en al dan niet doorgeslagen politieke correctheid. „Als je wit bent, dan is dit land één grote safe space.”

Illustratie: Gijs Kast

‘Ruimte scheidt de lichamen, niet de geesten’, luidt de tekst van Erasmus boven de ingang van de metro op Rotterdam-Centraal, ter hoogte van de Feyenoord-supportersshop. Daar kun je dan als supporter in de metro richting Kuip stappen, om met lichamen van andersgezinde geesten te boksen. Maar het ideaal van Erasmus, dat ervan uitgaat dat van gedachten wisselen verbindend werkt, staat in 2019 onder druk. Drie boeken over de gevoeligheid voor politiek correcte taal tonen hoe woorden de geesten geenszins dichter bij elkaar brengen.

Voortbordurend op een artikel in The Atlantic uit 2015 schreven jurist Greg Lukianoff en psycholoog Jonathan Haidt The Coddling of the American Mind. How Good Intentions and Bad Ideas are setting up a Generation for Failure. De twintigers van nu, betogen Haidt en Lukianoff daarin, zijn dusdanig beschermd opgevoed dat ze snel gekwetst zijn en niet opgewassen tegen meningen en ideeën die tegen de hunne indruisen. Het is die generatie die op Amerikaanse universiteiten vraagt om safe spaces en trigger warnings en aula’s blokkeert om sprekers met politiek incorrecte oeuvres te weren.

Lukianoff, die een stichting beheert die de vrijheid van meningsuiting op universiteitscampussen monitort, en Haidt, die eerder onderzoek deed naar de verlinksing van Amerikaanse universiteiten, wijten de nerveuze stemming op de universiteitscampussen aan drie ‘Grote Onwaarheden’ waarmee de generatie Z, van na 1994, is opgegroeid: ‘what doesn’t kill you makes you weaker’, ‘vertrouw altijd op je gevoel’, en: ‘het leven is een strijd tussen goede en slechte mensen’. Emotionele valkuilen, volgens Haidt en Lukianoff, die bestreden kunnen worden met cognitieve gedragstherapie; achterin het boek staan tips voor doe-het-zelf-therapie.

Haidt en Lukianoff beschrijven zeer gedetailleerd een aantal gevallen waarin om ogenschijnlijk kleine dingen chaos uitbrak op Amerikaanse campussen. Het pleidooi van een docente voor free speech en haar constatering dat studenten lichtgeraakt zijn, schoot studenten van Yale in het verkeerde keelgat, en betekende het ontslag van de docente. Ook academici onderling nemen elkaar de morele maat, en academische publicaties trekken na ophef artikelen terug omdat die niet aan de strikte politiek correcte standaarden blijken te voldoen, zelfs wanneer er op de wetenschappelijke methode niets af te dingen valt.

Het opmerkelijkste argument van de studenten om bepaalde sprekers, of ook onderdelen uit de historische of literaire canon, niet te willen horen, is dat die hen stress zou bezorgen, en zo lichamelijke klachten, waartegen zij zich dus ook fysiek mogen weren, zo nodig met geweld.

Slachtofferschap

Universiteiten zijn er niet, schrijven Lukianoff en Haidt, om sociale rechtvaardigheid te bewerkstelligen, maar voor wetenschap, kennis en waarheidsvinding. Het is moeilijk iets te leren van mensen die alleen maar de eigen mening herhalen. Maar het is problematisch dat The Coddling of the American Mind welgeteld negentien pagina’s ingaat op de mogelijkheid dat de studenten gedreven worden door de overtuiging dat het Amerika waarin zij opgroeien wel iets rechtvaardiger kan. Voor Haidt en Lukianoff is de gevoeligheid, de aandacht voor het juiste, inclusieve vocabulaire, een psychologische kwestie, en geen politieke. Zij zien geen weeffouten in de samenleving, maar in de opvoeding door helikopterouders en overgebureaucratiseerd onderwijs. Maar het nieuws van deze week dat welgestelde ouders een toelatingsbewijs voor een elite-universiteit kunnen kopen, toont al dat universiteiten in de VS geen bakens van kansengelijkheid zijn.

Van Facebook tot politieke correctheid: de ‘gedachtenpolitie’ is overal. „Je mag ook niets meer zeggen”, hoor je vaak. Maar van wie eigenlijk? Lees ook: Op zoek naar de gedachtenpolitie

Haidt en Lukianoff schrijven dat het ze er niet om te doen is de generatie Z de les te lezen, maar schrijven ondertussen wel een hele generatie therapie voor. Slavoj Zizek schreef in zijn laatste boek Like A Thief in Broad Daylight (2018) dat het verhoogde gevoel van kwetsbaarheid een logisch gevolg is van het liberalisme: iedereen is zo doordrongen van zijn verantwoordelijkheid voor het eigen lot, dat het gepaard gaat met een aan wanhoop grenzende gevoeligheid voor de ander, die ons slagen wel eens zou kunnen verstoren. De opgelegde zelfredzaamheid gaat hand in hand met het slachtofferschap, zodat de sigaret of ongevraagde blik van de ander een bedreiging wordt. De methode van de activistische studenten vindt Zizek overigens een veeg teken: de toevlucht tot politiek correct moralisme laat zien dat links het werkelijk niet meer weet.

Het zullen mannen als Haidt en Lukianoff zijn waar activist, auteur en predikant Michael Eric Dyson op doelt wanneer hij zegt: ‘You know what amazes me? White men who call college students snowflakes. Who’s the biggest snowflakin’ white man?’ ‘Snowflake’ is de in Chuck Palahniuks roman Fight Club gemunte term voor gevoelige jonge mensen, snel gekwetst en met een misplaatst idee van de eigen uniciteit.

Eén grote safe space

Dyson deed die uitspraak in een debat met komiek en schrijver Stephen Fry, auteur en YouTube-goeroe Jordan Peterson, en New York Times-columniste Michelle Goldberg, dat nu in boekvorm is verschenen. Political Correctness Gone Mad? vertolkt op geweldige wijze vier stemmen in het debat over politieke correctheid. Het is de weerslag van een gesprek dat vorig jaar mei werd gehouden in Toronto, ook uitgezonden op de Canadese tv en nog altijd terug te zien op YouTube. Peterson hekelt politieke correctheid als een linkse uitvinding om de waarheid te verhullen, in het hem eigen onheilspellende vocabulaire waarin scenario’s vaak very, very dark, giftig en gevaarlijk zijn. Fry vindt dat er voor kunstenaars geen heilige huisjes zouden moeten zijn. Bovendien voorziet hij dat moraliserend groepsdenken stuurse jonge kiezers in de armen van de vrijdenkers op rechts zullen drijven. Goldberg bepleit dat politieke correctheid vooruitgang is en emancipatie van minderheden kan bevorderen. Politieke correctheid, meent zij, betekent niet per se de inperking van free speech, al is het een term geworden om mee naar het establishment te zwaaien omdat grapjes over gays en vrouwen niet meer zouden mogen. Maar niet om alle grapjes lachen is nog geen censuur. En Dyson zegt, als zwarte man: als je wit bent, dan is dit land één grote safe space.

Zo is Political Correctness Gone Mad? een veelzijdiger weergave van wat politieke correctheid behelst dan het wat zwalkende Over politieke correctheid van Gerben Bakker en Gert Jan Geling, beiden docent integrale veiligheidskunde aan de Haagse Hogeschool. Uitvoerig en geïnformeerd beschrijven ze de geschiedenis van politieke correctheid in Nederland, via Fortuyn en GeenStijl naar de invloed van Amerikaanse culture wars. Maar aan de argumentatie schort het. Ze beschrijven politieke correctheid als het verbloemen van de waarheid uit idealisme of uit conformisme ten koste van zeggen waar het op staat. Dat illustreren zij met het voorbeeld van Sjoerd, die met zijn Chinese collega Ping tafeltennis speelt en die hij dan ‘Pingpong’ noemt. Sjoerd, die volgens de anekdote niet wordt gedreven door racistische motieven, moet op het matje komen. De auteurs: ‘Niet alleen is deze manier van handelen van de manager demotiverend, er ontstaat ook een situatie waarbij Sjoerd in wezen gedwongen wordt om zijn gedrag te conformeren aan de norm, terwijl hij er vanbinnen heel anders over denkt.’ Maar als dit een voorbeeld van politieke correctheid op de werkvloer is, welke waarheid wordt hier dan verbloemd? Dat Sjoerd Ping graag Pingpong zou noemen? Is dat nu waarheid?

De jaren tien

In Political Correctness Gone Mad? verwoordt Peterson de klassieke liberale gedachte: without free speech there is no true thought. Denken, zo bezien, betekent iedere gedachte overwegen en verwerpen, tot alleen de juiste overblijft. Dat is een verlichtingsidee dat nog aan kracht heeft gewonnen dankzij ons economisch systeem, dat eveneens voorhoudt dat er één optimale oplossing bestaat die in de vrije markt vanzelf komt bovendrijven. Maar als er iets de jaren tien karakteriseert, dan is het wel het dagende besef dat er misschien niet overal een oplossing voor is. Dat er, ongeacht de eindeloze vrije uitwisseling van ideeën en informatie, niet altijd consensus is, geen derde weg, geen wetenschappelijk onderschreven versie van de werkelijkheid, geen technocratie die de klimaatverandering weet te keren. Dat alles heeft de optimistische marktrationaliteit van de jaren negentig een knauw bezorgd die nu plaats lijkt te maken voor een minder strikt objectieve, minder calculerende, meer belichaamde manier van denken.

‘Alleen als je bij de meerderheid hoort kun je je de luxe veroorloven om geen punt te maken van je identiteit.’

Dyson verwoordt het als volgt: ‘De kennis die ik met me meedraag als iemand van kleur maakt een verschil in mijn lijf, want ik weet hoe mensen over me denken, en hoe ze op me reageren, en dat is geen theorie.’ Dat lijkt op een reactie van essayiste Morgan Jenkins op een stuk van Zadie Smith over de film Get Out. Op Twitter verweet Jenkins Smith haar ‘zwartheid’ te intellectualiseren in plaats van het te voelen en te ervaren: ‘Black pain is not an intellectual exercise. [...] It’s not always meant to be rationalised.’

Opgedrongen groepsidentiteit

Bovendien, zegt Dyson, kun je je alleen als je bij de meerderheid hoort de luxe veroorloven geen punt te maken van je identiteit. Als je tot een minderheid behoort, wordt de groepsidentiteit aan je opgedrongen. Dyson zegt ook: ‘What’s at stake are bodies. What’s at stake are people’s lives. What’s at stake is that people, because of their sexuality and their racial identity, are being harmed.’ De onontkoombaarheid hiervan tonen Haidt en Lukianoff in hun summiere overzicht van redenen waarom studenten zich juist nu om sociale gerechtigheid bekommeren: in 2015 doodt white supremacist Dylann Roof negen kerkgangers; Walter Scott wordt door de politie doodgeschoten nadat hij is aangehouden om een kapot remlicht. In 2016 worden 49 mensen vermoord in een gayclub in Orlando; in 2017 zijn de rellen in Charlottesville, transpersonen worden uit het leger gebannen, en mensen uit zeven moslimlanden uit de VS; #MeToo werpt nieuw licht op de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Het lichaam is politiek, al was het maar omdat het de agressie van een ander uitlokt. En dat verandert ook de toon waarop het debat gevoerd wordt: niets subjectievers dan pijn.

Lees ook: Heus, van andermans mening ga je niet kapot

Ook Peterson houdt eraan vast dat hij zijn populariteit te danken heeft aan zijn neutrale, psychologische advies dat hij verspreidt in filmpjes die niets met politiek te maken zouden hebben. Daarmee benadrukt hij nogmaals dat er aan het systeem niets mankeert, maar dat voor het individu geldt, in zijn woorden: toughen up. Maar als je, zoals Haidt en Lukianoff, constateert dat een hele generatie onder druk staat, zou je ook kunnen concluderen dat het nieuwe activisme meer dan gerechtvaardigd is; helemaal als er een vocabulaire gevonden kan worden dat de diversiteit van de belangen en ervaringen weerspiegelt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Nynke van Verschuer