Opinie

    • Floor Rusman

‘Ja, ik heb zorgen maar lig er niet wakker van’

Grillige types, die Nederlanders. Bleek vorige week nog uit onderzoek van I&O dat we ons minder zorgen zijn gaan maken over klimaatverandering, maandag meldde het NIDI dat die zorgen juist groeien. De scepsis over klimaatverandering is volgens het NIDI „spectaculair” gedaald, terwijl I&O melding maakt van een stijging.

De nuance zit in de kleine lettertjes. Het onderzoek van het NIDI vergeleek 2009 met 2018, terwijl I&O keek naar de verschillen tussen begin januari en eind februari van dit jaar. Het zou dus kunnen dat de scepsis lange tijd afnam, om nu weer op te flakkeren.

Het zou kunnen, maar we weten het niet zeker. Zoals WRR-medewerker Will Tiemeijer in 2008 schreef in zijn boek over opiniepeilingen: bij dit soort inhoudelijke peilingen is er „geen inhoud die corrigerend kan optreden”. Anders dan bij zetelpeilingen komt er geen moment waarop we ‘de waarheid’ te weten zullen komen over de klimaatscepsis en -zorgen onder de Nederlandse bevolking.

De uitkomsten van peilingen verschillen onderling vaak enorm – zo ligt het percentage dat zich zorgen maakt over klimaatverandering tussen de 50 en 80 procent, afhankelijk van welk onderzoek je aanhaalt – maar toch presenteren media de afzonderlijke uitkomsten vaak als de onbetwistbare realiteit.

Vreemd, want ook representatieve peilingen hebben foutmarges en bovendien hangt veel af van de vraagstelling en de antwoordopties. Een groot deel van de Nederlanders maakt zich ‘een beetje’ zorgen over klimaatverandering; die kunnen afhankelijk van de vraagstelling in de ene of de andere groep vallen. Zo vroeg het NIDI aan mensen of ze zich „grote zorgen” maakten; dat kan verklaren waarom het ‘slechts’ 58 procent bezorgden telde, minder dan I&O.

Misleidend is daarnaast de aanname dat mensen overal iets van vinden. De klimaatpeilingen wekken de indruk dat Nederlanders met hun sterke mening over klimaatverandering op de bank zitten te wachten tot de opiniepeiler langskomt. In werkelijkheid hebben ze, zoals Tiemeijer schrijft, „over onderwerpen die verder van huis liggen, zoals veel politieke kwesties, lang niet altijd een mening klaarliggen die zo in opinieonderzoek kan worden onthuld”.

Dat is ook mijn ervaring. Voor het buurtonderzoek over klimaat dat zaterdag in NRC verscheen, ging ik met een collega in twee wijken de deuren langs. Vroegen we aan mensen of ze zich zorgen maakten, dan zag ik ze twijfelen: zórgen? Ja, als ze er eens goed over nadachten wel. Maar „ik lig er niet wakker van”, voegden velen eraan toe.

In het daaropvolgende gesprek zeiden mensen vaak tegenstrijdige dingen. Sommigen hadden we kunnen typeren als klimaatalarmist of klimaatontkenner, afhankelijk van bij welk citaat we de tijd hadden stilgezet. Het loonde daarom de moeite om na de eerste reactie wat door te praten. Maar in de meeste peilingen wordt niet doorgepraat: mensen worden aan de hand van hun eerste antwoord in vakje A of B gezet.

Een ander probleem is dat de realiteit tussen de meetmomenten door verandert. Volgens het I&O-onderzoek daalde het aantal Nederlanders dat vindt dat het kabinet meer moet doen van 66 procent begin januari naar 48 procent eind februari. Media concludeerden dat het draagvlak voor klimaatbeleid afkalft. Maar is dat de enige logische conclusie? Het is ook mogelijk dat mensen in de tussentijd meer hebben gehoord over de klimaatplannen, waardoor ze denken: hé, het kabinet doet wel degelijk dingen – nóg meer actie is niet nodig.

Peilingen kunnen leuk en nuttig zijn, maar uitsluitsel geven ze niet; eerder werpen ze nieuwe vragen op.

Floor Rusman is redacteur van NRC

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Floor Rusman