Recensie

Op een dag vindt ze een schedel in haar moestuintje

Nicolien Mizee Het gaat er gezapig aan toe op Mizees landgoed, maar de roman ontpopt zich wel degelijk als detective.

Illustratie Paul van der Steen

Alle seinen staan onmiddellijk op detective. De titel al, Moord op de moestuin, heeft die appetijtelijke combinatie van blijmoedigheid en bloeddorst, en roept dus meteen Agatha Christie-associaties op. De beginzin is, voor wie het erin lezen wil, tegelijk kneuterig en onheilspellend: ‘De hele geschiedenis begon toen mijn zuster en zwager een pan soep kwamen brengen.’

Daarna wordt het wat minder dreigend. De moestuin zien we voor het eerst liggen op bladzijde 36, als hoofdpersoon en verteller Judith Loman met haar man Thijs, zus Cora en zwager Ab arriveren bij een idyllisch landgoed van oude vriendin Fiep, haar zus Anne en oude moeder Lidewij. Daar in het tuinhuis kan Thijs een beetje tot zichzelf komen, herstellend van een hartaanval. Om wat omhanden te hebben die zomer slaat Judith aan het wieden, snoeien en schoffelen in de achterste van een rijtje van tien volkstuinen. Genoeglijk. Er duikt nog een verjaard mysterie op rond de landheer en vader van Fiep en Anne, ‘oom Friso’, ooit spoorloos verdwenen, maar voordat er iets moorddadigs voorvalt, zijn we ver in de roman.

Dat lijkt me goed om te weten: dat het negende boek van Nicolien Mizee (1965) zich op den duur wel degelijk ontpopt als heus detectiveverhaal, met een moord, een mysterie, een rits verdachten en een oplossing. Tot die tijd is het afwisselend merkwaardig en gezapig op landgoed Groenlust – waardoor Mizee je verwachtingen vrolijk tart. Voor de grote groep lezers die nu kennismaakt met haar werk, dankzij een flink De Wereld Draait Door-effect, komt goede zin en welwillendheid dan misschien wel van pas. Je moet alleen al de montere Mizee-ironie kunnen onderscheiden van braafheid, wanneer Judith verzucht: ‘Als nu ook mijn sudoku nog uitkomt, ontbreekt er niets meer aan mijn geluk.’

Hoogstpersoonlijke logica

Die eerste helft van de roman wordt vooral gekleurd door de eigenzinnigheid van Nicolien Mizee, haar gevoel voor humor en voorliefde voor het ongerijmde in het alledaagse. Die kent de doorgewinterde Mizee-lezer uit haar ‘argeloos krankjorum vertelde’ eerdere romans, zoals ze in deze krant ooit heetten – en uit haar onvolprezen autobiografische faxboeken, waarin Mizees wonderlijke ziel bloot ligt.

‘Ik verzin nooit iets’, verklaart Judith, schrijfster en schrijfdocente, in wie we wel een Mizee-achtige kunnen herkennen: ‘Maar de waarheid doet zich aan de ene mens anders voor dan aan de andere.’ De mensen zoals die zich aan haar voordoen, volgen hun eigen hoogstpersoonlijke logica. Misschien geloven ze vooral erg in wat ze zeggen: als ze het in een welgevormde zin kunnen vatten, is het logisch en dus waar, zonder dat er per se veel verder over hoeft te worden nagedacht. Zo gelooft zus Cora volledig in kabouters, nou, dat die ooit hebben bestaan. Nu zijn ze uitgestorven, daarom zien we ze nooit.

Lees ook het interview van Joyce Roodnat met Nicolien Mizee: ‘Schrijver zijn maakt mij niks uit. Ik schreef altijd al alles op’

Ook zo’n excentriek zooitje is de parade van volkstuinders die Mizee ten tonele voert. (Voor wie het al duizelde met Friso en Fiep en Ab en Anne, is de uitklapflap met de volgorde van de tuintjes en de namen van de tuinders behalve gezellig ook een welkome luxe.) Heetgebakerde Govert, giftige dokter Zeelenburg, zweverige Kenny, onooglijke Zwanet – ze zijn talrijker dan onkruid. En Judith laat dikwijls tegen zich aan kwebbelen. Zij lijkt zich vooral opgeruimd verbouwereerd door het leven te snoeien. Ze stelt gerust (‘Ik vind helemaal nooit iets vreemd’) en bezit het vermogen om afstand te houden, misschien wel vanwege haar Grote Angst – een ‘Grote Angst en Grote Wil’ heeft ieder personage, onderwijst ze haar schrijfstudenten. De hare: niet uitgelachen te worden.

Ze zet plompverloren een nieuwe verhaallijn in gang wanneer ze in haar moestuintje een schedel vindt, in de lach schiet en de doodskop al even schaapachtig tevoorschijn tovert bij een etentje: ‘Ik liep naar de bloempot, haalde de schedel eruit, hield hem achter mijn rug en legde hem in de slaschaal, die inmiddels leeg was. Ik ging weer zitten en keek de tafel rond.’ (Merk nog even het zeer Mizeeiaanse gevoel voor beschaving én humor op, in de toevoeging dat de schaal ‘inmiddels leeg was’.)

Oom Friso natuurlijk. Daar zul je de moordzaak hebben.

Groot gevoel

Nou, eigenlijk gaat het verhaal ook dan nog vooral verder op de ingeslagen weg, van gesprekjes met de tuinders en de familieleden – op een manier die typisch Mizee is, komisch en onmogelijk na te doen (‘Wat fijn dat wij allemaal nog leven,’ zei ik. ‘De sneeuwtijger staat op uitsterven,’ zei Ab vanachter zijn krant. Cora legde de onderzetters op tafel. ‘Dat is onze schuld niet.’). ‘Ik snap niet waarom mensen zo hoog opgeven van grote gevoelens. Kleine gevoelens zijn veel prettiger’, meldt Judith nog, maar op dat moment liggen ongeduld en verveling wel op de loer. Doe ons nu maar eens een groot gevoel!

Lees ook: Nog een paar van deze verslavende boeken en Mizee wint de P.C. Hooft-prijs

Dat komt pas als de politie nog een tweede keer moet uitrukken naar het rijtje moestuinen, wanneer tegelijk een van de grappigste scènes van de roman ontspint, vol eerlijkheid en ongemak. Dat is ook het moment waarop de verwachting van de whodunit ingelost wordt, iets wat Mizee in die laatste vijftig bladzijden dan wel met veel verve klaarspeelt. Daarmee rechtvaardigt ze de uitweidingen van daarvoor: opmerkzame Judith bleek bezig uit te groeien tot een soort detective, of toch minstens tot de schrijver die alles overziet en de lijntjes aan elkaar knoopt.

Want dát was natuurlijk de Grote Wil die Judith als personage koesterde, de hele roman lang: haar schrijven terug te krijgen. Sinds haar huwelijk was de inspiratie gestokt, terwijl schrijven haar levensvervulling was. En kijk eens wat we nu lezen.

De detective-ontknoping is niet alleen bevredigend, maar werkt ook op een ander niveau: die bepaalt ook de literaire diepte van Moord op de moestuin. Want precies die ontknoping toont het belang van degene die nooit iets vreemd vindt, degene die wél voorbij haar hoogstpersoonlijke logica kan kijken, die zich verplaatst in die eigenaardige anderen, degene die de kleine gevoelens aandacht geeft. Judith is in de roman wat Nicolien Mizee is als schrijver: degene die de bepalende krachten in het leven waarneemt, en daar heel smakelijk over kan schrijven.

    • Thomas de Veen