Misschien lag er wel 500 jaar oud speelgoed in mijn kelder

Gevonden Taco Börger woont in een huis uit de zestiende eeuw. Toen hij zijn kelder uitgroef, vond hij een eeuwenoude knikker. Waardeloos, dacht hij.

Illustratie Lotte Dijkstra

Ik heb je knikker gevonden. Ik weet niet of je lang gezocht hebt, maar hij lag in het putje links voor in de kelder. Het was een behoorlijke klus. In de afgelopen eeuwen hebben ze, waarschijnlijk omdat ze de ruimte niet meer nodig hadden, de kelder volgegooid met puin en rotzooi. Later zijn de balken en de bovenliggende houten vloer gaan rotten en hebben ze alles afgedekt met zand en er beton op gestort. Toen was de kelder helemaal verdwenen.

Jarenlang heb ik me afgevraagd wat er allemaal onder dat beton zou liggen. Tot ik m’n nieuwsgierigheid niet meer kon bedwingen. Toen heb ik een gat in het beton gemaakt en de kelder leeg gegraven. Ik ben een jaar bezig geweest, maar veel bijzonders heb ik niet gevonden. Scherven servies met hakenkruis, scherven van vetvangers, stukken muur, honderden schoenzolen, scherven van oud-Hollandse tegeltjes, Duitse waterkruiken zonder oor, botten, een stuk kaak, en helemaal onderin, in een putje in de roodplavuizen vloer, jouw knikker.

Dat was het. Ik heb hem opgeborgen en er nooit meer aan gedacht. Jarenlang niet. Zelfs niet wanneer ik me afvroeg waarvoor dat putje toch was in de tijd dat jij je knikker kwijtraakte.

Tot ik hem een paar weken geleden weer tegenkwam. In een kastje. In de kelder.

Erg lang geleden

Ik zocht eigenlijk iets anders. Een flesopener om precies te zijn. En een aansteker. Want het was tenslotte vrijdagavond en daar hoort een sigaar bij. En wijn. En terwijl ik daar zat, met m’n wijn, m’n sigaar en die knikker, vroeg ik me eindelijk eens af hoelang het al geleden zou zijn dat hier in de kelder iemand om die knikker heeft staan huilen.

Ik schatte erg lang geleden. Waarschijnlijk na de grote brand in het wijnpakhuis ergens halverwege de zestiende eeuw, kort daarna hebben ze op de overgebleven fundamenten mijn huis gebouwd. Dat leek me logisch.

Maar veel verder dan dat zou ik hier vanuit m’n stoel niet komen. Dat wist ik ook al. En dus besloot ik me te richten op de zaken in het leven die er op vrijdagavond werkelijk toe doen en waarvan ik trouwens ook veel meer verstand heb. Wijn en sigaren. Het mysterie van de knikker zou ik overlaten aan mensen die wel wat beters te doen hebben met hun leven – en zodoende bij de archeologische dienst terechtgekomen zijn.

Misschien niet verdrietig, maar kwaad. Kwaad dat je hem niet kon vinden. Het is tenslotte een mooie knikker

Dat was slim. Want wat een ander doet, hoef je zelf niet te doen. Zij wisten dat het een aardewerken knikker was. Met zoutglazuur. Ze wisten ook dat ze in de Middeleeuwen keusels of kuysels werden genoemd en daarna wisten ze ook nog eens dat hij wel vijfhonderd jaar oud kon zijn. Of honderdtwintig. Dat kon ook. Dat was moeilijk te zeggen. En daarom verwezen ze me door naar een specialist uit Leiden. Die wist namelijk alles van middeleeuws speelgoed.

Ik geloofde het meteen. Maar ik wist ook al dat ik haar nooit zou bellen. Tijdens het gesprek was het namelijk tot me doorgedrongen dat het me helemaal niet om die knikker ging, maar om degene die ermee gespeeld had. Het ging erom hoe oud zij was toen ze hem kwijtraakte. En hoelang ze gezocht heeft. Hoe ze er rondkroop. Zoekend tussen alles wat er opgeslagen lag. Zou ze verdrietig zijn geweest? Waarom had ze hem nooit gevonden?

En terwijl ik me probeerde voor te stellen wat er gebeurd kon zijn, en me afvroeg waarom ik dacht dat hij van een meisje en niet van een jongen was geweest, realiseerde ik me dat ik, na al die jaren waarin je eerst langzaam vergeten en uiteindelijk volledig verdwenen was, waarschijnlijk de eerste was die weer aan je dacht.

Het sloeg ook nergens op

Het was een mooie gedachte. Net zoals de gedachte aan hoe je hier rondgelopen hebt. Tenger en stil. Zoekend en denkend. Misschien niet verdrietig, maar kwaad. Kwaad dat je hem niet kon vinden. Het is tenslotte een mooie knikker.

Maar hoe bijzonder het ook was, het sloeg ook nergens op. Denken aan iemand van wie ik nog nooit gehoord had, die al honderden jaren dood was en misschien zelfs helemaal nooit bestaan heeft. Want dat kon natuurlijk ook nog. Het sloeg nergens op.

Maar terwijl ik in diezelfde kelder zat, waar niets is behalve de rust en de warme geur van olielampen, de zware houten balken aan het plafond, het houten wandje achterin waaraan nu wat schilderijen hangen, waar geen geluid is van buiten, geen licht van buiten, geen kou, geen wind, geen hitte, waar het afgezien van wat meubels weer precies is zoals het honderden jaren geleden ook was, was er in ieder geval weer iemand die aan je dacht. Niet omdat ik je ooit gekend heb, maar omdat ik je knikker vond. Precies zoals je hem zo lang geleden achtergelaten hebt.