Opinie

Allemachtig prachtig

en wandelen in Marokko en doen verslag. „We zijn niet de enigen in de Sahara.”
Fokke Gerritsma

Een vriendin van ons heeft verkering met een bedoeïen, vandaar dat ze alles van kamelen en zand weet. We pikken haar op bij een vliegveldje in de buurt van Marrakesh. Ze heeft twee vriendinnen en een vriend bij zich. We zijn allebei vrolijk want Marokko zit er bijna op. We ruiken de stal, nu alleen nog even een onvergetelijke week door de Sahara sjokken met kamelen. Op geheimzinnige wijze arriveren er twee SUV’s (je weet wel, zo’n auto waarmee je het strand op kan) met mannen met tulbanden achter het stuur. Ik zit voorin en als ik opzij kijk heb ik het gevoel dat ik met een oliesjeik op stap ben.

We rijden de hele dag door het Atlasgebergte. De tulband heeft een uitgelezen goede smaak en draait Malinese muziek, ongeveer om het uur zegt hij ineens vanuit het niets: ‘Allemachtig prachtig’, en begint te lachen alsof-ie een hele goede mop vertelt. Een van onze reisgenoten merkt dan steevast op: „Moeten we het hem niet een keer vertellen dat niemand dat zegt in Nederland.”

Het is nacht als we in het basiskamp arriveren. Dat klinkt gezellig, een beetje Mount Everest-achtig. Wij hebben gelukkig net niet kunnen zien hoe toeristisch het dorpje M’hamid is. We zijn niet de enigen in de Sahara. „De meeste mensen willen alleen maar een half uur op een ‘kameel’ zitten en worden daarna met de auto naar een viersterrenoase gebracht”, verklaart onze vriendin met een vies gezicht. De volgende ochtend wordt het me duidelijk dat we al in de woestijn zijn, met van die grote lichtgele zandheuvels, je kent ze wel uit Kuifje. We drinken koffie en eten daar platte Marokkaanse broden met dadelstroop bij. Het wordt verdund met olijfolie en voor de pittige bite, wordt er een driehoekje – hoe kan het ook anders – la vache qui rit doorheen geprakt. Dat smaakt trouwens verrassend goed. We zitten met zijn zessen fanatiek dat kommetje uit elkaars handen te trekken. We gaan er zo in op, dat we niet eens hebben gemerkt dat we versterking hebben gekregen van zes kamelen die nog dromedarissen zijn ook. Twee bruine, twee beige en twee witte en God wat hebben ze lieve ogen. Ze hebben grote manden op hun rug die de bedoeïenen volstoppen met water, voedsel en natuurlijk de tenten. Dan vertrekken we. De kamelen schommelen achter elkaar door het mulle zand. Eentje loopt apart, omdat hij nog moet leren, en dat duurt maar liefst vijf jaar, vertelt Allemachtig Prachtig – en hij zegt het nog maar eens. Ik lig in een deuk. „We moeten hem wel duidelijk maken dat ze dat in Nederland niet zeggen”, herhaalt onze vriendin. Dan steekt er een zandstorm op, die de hele week zal aanhouden. Mijn schoenen zitten vol zand, daar heb ik niks aan, dan maar op mijn sokken, voor mij de ideale woestijndracht. Vlak voordat we naar bed gaan in ons kampement zie ik de contouren van een kameel die voor onze tent ligt. Ik ben zo ontroerd dat ik een slaapliedje voor hem zing. „Wat ben jij nou aan het doen?”, vraagt Annie. „Ik zing voor die kameel, ik voel gewoon dat hij ervan geniet.” En ik wijs naar de zwarte bult voor me. „Dat is geen kameel, dat is een berg tassen”, schampert Annie. „Allemachtig prachtig”, hoor ik in de verte. „Je moet het hem duidelijk maken”, klinkt het vanuit het achterste tentje „dat we dat in Nederland niet zeggen”.