Mag je baas je vragen een broek te dragen?

Voorschriften Tatoeages, paars haar – moet een bedrijf dat van personeel tolereren? En omgekeerd, moet een werknemer die bedrijfskleding dan maar pikken? Ruzies over het uiterlijk eindigen soms voor de rechter.

Illustratie Pepijn Barnard

Lippenstift, eyeliner, concealer: stewardessen van Virgin Airlines zijn niet langer verplicht het te dragen. De Britse luchtvaartmaatschappij kondigde vorige week aan haar voorschriften voor stewardessen te versoepelen, en onder andere af te zien van de verplichte make-up.

Ook broeken zitten vanaf nu in de standaarduitrusting – eerder mochten Virgin-stewardessen al wel in een rode broek (rood is de bedrijfskleur van Virgin) in plaats van rok op het werk verschijnen, maar dan moest die wel specifiek worden opgevraagd bij het uniform department.

Het besluit werd als een emancipatoire stap onthaald in een sector die zich kenmerkt door een nogal traditionele, of beter: ouderwetse, verdeling van werk. Piloten zijn overwegend man, er zijn meer stewardessen dan stewards. Per luchtvaartmaatschappij verschilt hoe streng de kledingeisen voor die laatste groep zijn. Maar rokken, hakken en gestifte lippen zijn eerder regel dan uitzondering.

„De nieuwe richtlijnen bieden een verhoogd niveau van comfort”, liet Virgin Airlines in een schriftelijke toelichting op het besluit weten. Bovendien, zo stelt het bedrijf: „Ze bieden de leden van ons team meer keuze in hoe ze zichzelf op het werk willen laten zien.”

Die verklaring is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Een kledingvoorschrift of uniform impliceert immers, naast representativiteit, ook een zekere uniformiteit. Daarin is per definitie weinig ruimte voor persoonlijke expressie. Het roept wel een relevante vraag op: hoe ver kan en mag je als bedrijf eigenlijk gaan in kledingvoorschriften?

NRC-redacteur Ykje Vriesinga onderzocht methodes om beter te werken: denk eens wat minder na over wat je aantrekt naar werk

Veilig, schoon, representatief

In Nederland is in het arbeidsrecht geregeld dat een werkgever eisen mag stellen aan hoe een werknemer eruitziet op werk. Dat gaat niet alleen over kleding, maar ook over uiterlijke kenmerken als haardracht. Daarbij gelden overigens beperkingen. „Het moet bijvoorbeeld wel ten goede komen aan het beoefenen van de arbeid, of de goede orde van de onderneming”, vertelt Annelyn Aldenkamp, arbeidsrechtadvocaat bij Kaper Nooijen Advocaten in Eindhoven. Denk aan kledingvoorschriften uit veiligheidsoverwegingen (politiemensen bijvoorbeeld), vanwege hygiëne (ziekenhuispersoneel) of representativiteit (een werknemer aan een ontvangstbalie of bijvoorbeeld stewardessen).

Ook mogen kledingvoorschriften alleen „tijdens de uitoefening van de arbeid” gelden, aldus Aldenkamp. Dat klinkt logisch, maar precies daar botst het nogal eens tussen de eisen van werkgevers en wat de wet ziet als de vrijheid van persoonlijke expressie. Een uniform kun je na werktijd uittrekken. Maar vind je als werkgever dat werknemers op de werkvloer geen ongewone haarkleur mogen hebben, dan stel je daarmee ook eisen aan wat een werknemer buiten werktijd kan en mag doen: niet zijn haar paars verven, bijvoorbeeld.

Regelmatig gaan geschillen dan ook over kledingvoorschriften en de vrijheid van godsdienst – in het bijzonder over het dragen van een hoofddoek. Af en toe monden conflicten over bedrijfskleding of een tatoeage uit in een gang naar de rechtbank.

In drie rechtszaken: wat kan een bedrijf wel en niet van je vragen?

Gemillimeterd haar en tatoeages

Om bij de luchtvaart te blijven: in 2010 stonden de KLM en een stewardess tegenover elkaar bij de rechter. De luchtvaartmaatschappij wilde de stewardess ontslaan omdat ze zich niet hield aan de stijl- en kledingregels. Zo had ze gemillimeterd haar en dekte ze haar tatoeages niet af. Herhaaldelijk vroeg het bedrijf de stewardess daar iets aan te doen.

En hoewel dat een zekere inbreuk maakte op haar persoonlijke vrijheid, zo oordeelde de kantonrechter, was het een geoorloofde eis. Met het uiterlijk van cabinepersoneel kan een luchtvaartmaatschappij zich namelijk onderscheiden van de concurrentie.

Ook behoort veiligheid bieden tot de taken van stewardessen. Daarbij speelt „het uiterlijk van het cabinepersoneel” volgens de rechter een rol. Wie als stewardess gaat werken, kan bovendien verwachten dat er strenge regels omtrent kleding zullen zijn.

Ook zag de rechter geen praktische bezwaren: tatoeages zijn gemakkelijk te bedekken. Wat het kapsel betreft bleek – naast maatschappelijke opvattingen over wat ‘normaal’ en ‘vrouwelijk’ is – het volgende doorslaggevend: „Het hebben van langer hoofdhaar dan gewenst, heeft uiteraard wel consequenties voor de vrije tijd van de werknemer, maar het bijna kaalscheren van het hoofd bij vrouwen is maatschappelijk nog niet zo algemeen aanvaard of gebruikelijk dat een dergelijke haardracht niet als extravagant kan worden beschouwd.”

Van een broek een rok maken

In 2013 werd een schoonmaakster van de Biga Groep, die mensen ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ begeleidt, op non-actief gesteld door haar werkgever. Van het bedrijf had ze kleding gekregen om in schoon te maken: enkele polo’s, sweaters en een broek. Van die broek maakte de werknemer na enkele maanden een rok, op knielengte. Het bedrijfslogo en de zakken bleven op dezelfde plaats zitten.

Het bedrijf vond dat ze daarmee uit de toon viel. Ook maakte het een praktisch bezwaar: in de rok zou ze minder flexibel zijn, en haar werk dus minder goed kunnen doen.

Maar volgens de rechter deed de rok niet af aan de professionele uitstraling of herkenbaarheid van de organisatie – gezien de lengte en kleur van de rok, en de plaats van de zakken en het logo. Ook maakte Biga niet voldoende aannemelijk dat de rok de werknemer praktisch gezien in de weg zou zitten. De vrouw mocht daarom weer aan het werk, in de rok.

Een poloshirt

Wanneer zorginstelling Wilgaerden besluit bedrijfskleding in te voeren, stuit dat bij één werknemer op verzet. In de polo’s die werknemers moeten gaan dragen, voelt zij „schaamte over haar zwaarlijvigheid” en voelt ze zich „in haar eigenwaarde aangetast”. Ze biedt het bedrijf aan zelf kleding aan te schaffen waarin ze zich wel comfortabel voelt, in de bedrijfskleur. Ze zal er ook zelf het logo op laten drukken.

De zorginstelling houdt voet bij stuk: ze moet de polo aan. Het mondt uit in een conflict dat in 2012 voor de rechter belandt. De rechter oordeelt vervolgens dat de zorginstelling in zijn recht staat om te eisen dat werknemers de voorgeschreven kleding dragen, met het oog op een professionele uitstraling.

Tegelijkertijd vindt de rechter de houding van de zorginstelling niet van goed werkgeverschap getuigen: want „als het dragen van het poloshirt zou leiden tot (psychische) schade”, is dat reden om een uitzondering te maken. De rechter oordeelt dat ze niet ontslagen mag worden, en in gesprek moet met de bedrijfsarts.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Annemarie Sterk