Onder meer met het koor van docent Hans Barkmeijer viert het Rudolf Steiner College in Rotterdam maandag het eeuwfeest van het vrijeschoolonderwijs.

Foto Merlin Daleman

Koorzingende pubers horen bij het vrijeschoolonderwijs

Vrije school 100 jaar Docent Hans Barkmeijer wil „vaak heel vervelende pubers” aan het zingen krijgen. „Die expressie, dat is voor een puber best wat.”

Vierhonderd pubers, in blauw-wit gekleed, staan op het podium in De Doelen het Ave verum van Mozart te zingen. Meerstemmig. Er zijn stoere gelkapsels bij, hipsterstaartjes, hippe sneakers en hoge hakken. Voor hen staat koordocent Hans Barkmeijer. Hij dirigeert, zingt, geeft aanwijzingen met zijn ogen – die op momenten dat het goed gaat weleens vochtig worden.

Leerlingen van het Rudolf Steiner College in Rotterdam vierden maandag met zang, dans en toneeloptredens het 100-jarig bestaan van het vrijeschoolonderwijs. Het was ook het afscheid van Barkmeijer (65), ‘Barkie’ voor leerlingen, die 25 jaar dag in, dag uit probeerde om „vaak heel vervelende pubers” aan het zingen te krijgen. Met een tweejaarlijks concert in De Doelen als hoogtepunt.

Als koordocent was hij geliefd (bij ouderejaars) en gevreesd (bij jongerejaars). Eerst ben je bang van hem, zei een leerling, dan heb je een hekel aan hem, en op het laatst is hij je beste vriend. „Hij presteerde het om drie leerjaren vierstemmig klassiek te laten zingen en iedereen deed mee”, zegt Lotte Dikken (26), die in een oud-leerlingenkoor zingt, dat voor vanavond is opgezet. „Dat is heel indrukwekkend.”

Koorzang hoort bij het vrijeschoolonderwijs, vertelt Barkmeijer de volgende dag op school, als de zenuwen achter de rug zijn. Leerlingen krijgen minstens één uur per week koor. „Grondlegger Rudolf Steiner zag de mens als tweeledig wezen: geestelijk en fysiek. En het meest geestelijke wat een mens kan beleven, is muziek. Geen instrument zit dichter bij de ziel dan de stem.”

Daar komt bij dat je je in een koor als individu in een groep moet kunnen handhaven, je moet je durven uiten – zingen is eng. „Die expressie, dat is voor een puber best wat.”

Zeker voor een puber die er geen zin in heeft. De les ontwrichten kunnen ze allemaal, ze weten precies wat ze wanneer moeten doen. „Als je niet streng bent, dan heb je daar veel last van. Dus ben ik loeistreng.”

Briefjes liggen klaar

De briefjes om eruit gestuurd te worden liggen soms klaar op de piano. „Wegwezen,” zegt hij dan, „dit gedrag is waardeloos!” Maar meestal roept hij een leerling ook weer terug, als hij of zij bij de deur staat. Tachtig blikken op zich gericht, het is muisstil. „Kom maar terug, we kunnen je niet missen.” Zo krijgen ze de kans zich te herstellen, zegt hij. „Ik spiegel: wil je je zo gedragen? Nee? Verander je gedrag en kom erbij.”

Zelf is hij ook vaak „onderuitgegaan”. Laatst nog, ze waren in de kerk aan het repeteren, 180 achtste- en negendeklassers [buiten de vrije school is dat de tweede en de derde klas, red.]. „Er kwam niets uit, terwijl ze alles kenden. Dus ik gilde door de kerk: godverdomme. Dat heb ik op vergaderingen wel teruggekregen. Dat dat vanzelfsprekend niet kon. De volgende keer dat ik die groep had, zei ik: ‘Ik bied mijn excuses aan. En ik wil het woord ombuigen: Ga Voor Doelen.’”

Koorzingende pubers is één, waarom dan ook nog klassiek? „Daar heb ik veel commentaar op gekregen, ook van collega’s. Maar ik heb stug volgehouden. De muziek van grote componisten zit zo doorwrocht in elkaar, kinderen kunnen daarin samen harmonie beleven. Dat is vormend.”

Barkmeijer praat in zijn les in beeldspraak, met technische aanwijzingen heeft hij niets. Kun je eens zingen zoals je een wolk voorbij ziet trekken? (En niet: ‘Gebruik je resonantieruimte.’) Als hij de melodie in een doorgaande lijn wil horen, begint hij over een bobslee. Die snelheid, die lange baan, dát gaan we doen.

Soms, als iets lukt, ziet hij ook bij leerlingen de ogen vochtig worden. „Je merkt dat ze onder de indruk zijn, al spreken ze dat niet uit. Als we met een luchtiger stuk bezig zijn, vragen ze bijvoorbeeld of we ook nog een keer het Ave verum kunnen doen. Dat willen ze dan nog eens beleven. Dat is toch fantastisch?”

Had hij ook op een andere dan zijn huidige overwegend witte vrije school les kunnen geven – bijvoorbeeld op een school in Rotterdam-Zuid? Hij heeft het eens geprobeerd, ergens in Hoek van Holland, vertelt hij, maar het viel hem rauw op zijn dak. Vrijeschoolleerlingen zijn zingen gewend, maar daar kreeg hij zelfs de eenvoudigste muziek niet van de grond.

Minder muzikaal

Maar zelfs de vrijeschoolleerling wordt minder muzikaal. Bij de jongens wordt er steeds meer „gebromd”. „Vroeger had ik één brommer op driehonderd leerlingen, nu wel 250 op de 900. Ze luisteren atonale muziek, imiteren dat en slaan daardoor totaal verkeerde tonen aan.”

Het laatste optreden in de Doelen was daarom erg spannend. Slechte nachten, kort lontje. „Het gebrom, vervelend gedrag. Man, man, man, wat was het een lange weg.”

Maar de leerlingen zingen met aandacht, het applaus duurt lang. Tussen de optredens door vertellen sommigen wat ze van koorzang vinden. Een 15-jarige jongen vindt het „fucking kut”, maar oud-leerlingen Lotte Dikken en Rosa Dijkgraaf (26) zingen net als veel anderen nog steeds in koren. Dikken heeft inmiddels geleerd om niet meer binnensmonds te zingen, vertelt ze.

In het begin is het moeilijk om koorzang leuk te vinden, zegt Milan Mendez Rosa (18). „Zingen is ongemakkelijk, je geeft je bloot. Pas als je op een leeftijd komt waarop je dat durft, wordt het leuk.” Nu zit hij in het ‘Akoortje’, met leerlingen die extra willen zingen. Net als Mels Tijdgat (18), die ook op operazang zit. „Als ik wiskunde heb”, zegt hij, „en daarna Akoortje, en we zingen het Abendlied, dan is het net alsof ik opeens in de hemel ben.”

    • Mirjam Remie