Opinie

Kleur

Ellen Deckwitz

Onlangs zat ik in Stellenbosch, een stadje ten oosten van Kaapstad. Het centrum is net een filmset: brandschone straten, imposante koloniale woningen, eikenbomen, kerkjes, kabbelende beken en overal keurig bijgehouden gazonnen. Rondom de witgepleisterde stadskern liggen heuvels met daarop de townships, als een grauw aureool.

Op een zeker moment ging ik een dagje hiken met een Zuid-Afrikaanse vriendin en haar gezin. Terwijl we door het rode stof van Jonkershoek sloften, keek ze zuchtend naar haar kinderen: de jongetjes hadden ondanks een zwarte opa en een Libanese oma de huidskleur van hun Noorse vader: onder hun donkerbruine kroeshaar glansde een zinkwitte huid.

„Ik maak me zorgen om hun toekomst”, zei mijn vriendin, „de afgelopen jaren is er hier op de arbeidsmarkt een soort op hol geslagen positieve discriminatie ontstaan. Vanuit de overheid kwamen er wetgevingen om meer zwart op hogere posities te krijgen. Hoe donkerder je bent, hoe groter je kansen op een goede baan. Zelfs met dezelfde papieren en meer werkervaring, ben je in het nadeel als je wit of gekleurd bent. We zien het overal om ons heen.”

De volgende dag lunchte ik met een witte Zuid-Afrikaanse academica die zich destijds erg had verzet tegen de rassenscheidingen. Ik vertelde haar over de zorgen van mijn vriendin.

‘Mensen zetten tegenwoordig zelfs hun DNA-profiel op hun cv”, zei ze laconiek, „hoe zwarter hoe beter. Het gaat er niet meer om of je je te pletter hebt gewerkt op de universiteit, noch om de offers die je familie heeft gebracht”, zei ze scherp, „maar weer lekker ouderwets om kleur.”

„Wat vind jij daarvan?”

Ze was heel lang stil.

„Een journalist vroeg me begin jaren tachtig eens”, begon ze ten slotte, „of ik niet van mijn witheid af wilde, omdat ik altijd de kant koos van de onderdrukten, van de zwarten. Ik zei toen dat als er een pil bestond die mij zwart kon maken, ik die meteen zou nemen. Uit solidariteit. Weg met alle privileges, eindelijk gelijkwaardigheid. Maar tegenwoordig betwijfel ik of ik dat zou doen. Ik heb een kleur, en die is toevallig wit, en ook daar ligt een verantwoordelijkheid. Je draagt een geschiedenis. Daarom zou ik die pil nu niet slikken. Dat mensen onderling verschillen en vanaf geboorte ongelijke kansen hebben neem je niet weg als je hun kleur egaliseert. Noch neemt hun waardigheid toe wanneer ze het gevoel hebben dat ze via genetische tests moeten bewijzen dat ze het juiste DNA hebben voor een positie. Weet je waar dat soort praktijken me aan doen denken?”

„Apartheid?” vroeg ik.

„Mengele”, zei ze, en stak een stuk vlees in haar mond.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

Correctie (13 maart 2019): in een eerdere versie van deze column stond dat Stellenbosch ten westen van Kaapstad ligt. Dat is hierboven verbeterd.