Opinie

Trots zijn op je bedrijf, win je daar iets mee?

Menno Tamminga

De ondernemingsraad is er niet alleen voor de werknemers. Bij grote bedrijven als ExxonMobil Nederland, Tata Steel Nederland en Shell Chemie Moerdijk blijkt de OR ook een wellevende spreekbuis te kunnen zijn van de bedrijfsleiding. Dat is een constatering, geen diskwalificatie van de visie van deze ondernemingsraden of van hun vertegenwoordigende rol in de medezeggenschap.

De voorzitters van de ondernemingsraden van zeventien industriële bedrijven, waaronder de drie bovengenoemde, vielen afgelopen week in een open brief in de Volkskrant politiek Den Haag aan. „De komende weken zal de verkiezingscampagne natuurlijk over klimaat en CO2-reductie gaan, maar wij vragen u geen politiek te bedrijven met onze banen.”

De brief heeft een plezierig economisch-nationalistische toon, die aansluit bij het huidige klimaat waarin links en rechts het staatsbelang in Air France-KLM vieren als Hollands Glorie. De zeventien OR-voorzitters zeggen het zo: „We zijn trots op onze bedrijven en trots op wat wij bijdragen aan de Nederlandse samenleving.”

Lees ook deze column van Marike Stellinga: Ja, maar wat betaalt de industrie?

Toch schuurt er iets. Om te beginnen hengelen de ondernemingsraden naar overheidssteun „als we sneller willen dan de rest van Europa”. Let u op het woord ‘we’. Bedoelen zij daarmee hun werkgevers? Of bedoelen ze de samenleving als geheel, de burgers, wij? Ik vermoed het eerste, hun werkgevers. De ondernemingsraden conformeren zich aan de klimaatafspraken die de industrie eind vorig jaar met enkele belangengroepen heeft gemaakt. De financiële gevolgen daarvan komen woensdag in de doorrekeningen op tafel. Vervolgens beslissen de politieke vertegenwoordigers van die burgers, niet de industrie.

Het tweede dat schuurt is de vereenzelviging van het werknemersbelang met de aandeelhouders- c.q. managersbelangen. Dat is bij sommige van deze bedrijven nogal ongewoon. Cao-conflicten met de directie werden er te vuur en te zwaard uitgevochten.

De identificatie is extra opmerkelijk omdat de meeste, zo niet alle betrokken ondernemingen in handen zijn van buitenlandse eigenaren. Die hebben meer en andere belangen dan ‘onze’ banen. Zoals: waar is het rendement op een investering het best? Waar maak je de meest profijtelijke fiscale afspraken? Waar heb je beste positie ten opzichte van klanten?

Juist vanwege die internationale belangen en het vermogen om landen en vakbonden tegen elkaar uit te spelen, is de speelruimte van de lokale bedrijfsleiding beperkt. Het strategisch beleid wordt elders bepaald. In Mumbai. Londen. Of Riad. Daar hebben Nederlandse ondernemingsraden geen inzicht in, laat staan dat zij op die hoofdkantoren worden geconsulteerd over de plannen met ‘ons’.

Het management voert het beleid van die aandeelhouders uit. Twee maanden geleden schreven de topmanagers van vier van de zeventien bedrijven waar de OR-voorzitters werken óók een soort open brief, in NRC.

Daarin klaagden zij ook over het idee van GroenLinks-leider Jesse Klaver voor een ferme nationale CO2-heffing. „Wat de heer Klaver vergeet te vermelden, is dat een dergelijke heffing geen enkele klimaatwinst oplevert, maar wel duizenden banen op de tocht zet.” Topmanagers op de barricade voor lokaal banenbehoud, dat klinkt te mooi om waar te zijn.

De ondernemingsraden lopen met hun lobby pro werkgevers hetzelfde risico als minister-president Mark Rutte met zijn identificatie met de Unilever-top voor één hoofdkantoor in Rotterdam. Je knapt wel het vuile werk op, maar je staat buiten de finale beslissing.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.