Politieke partijen die regels ontwijken – en een ministerie dat steeds wegkijkt

Deze week: de gevaarlijk wankele basis onder de democratie. Ofwel: ondernemers die partijleden ‘ronselen’, partijen die de randen van regels opzoeken en hogere ledentallen suggereren dan ze hebben.

Campagnetijd. Tijd van tv-debatten, kandidatenfilmpjes, socialemedia-trollen, stickers, spandoeken, en natuurlijk: het partijpetje.

En niemand die het heeft over de wankele basis waarop het hele spektakel rust.

Toch is de grondslag van het partijenstelsel gevaarlijk smal geworden.

Partijen hebben groeiende moeite nieuwe leden aan te trekken en kunnen amper mensen vinden die zich kandidaat stellen. De Volkskrant schetste deze week dat politici in negen provincies gelijktijdig kandidaat zijn voor Provinciale Staten en een waterschap.

Hoe penibel de situatie is, kun je ook zien aan de electoraal grootste partij, de VVD.

Elke vier jaar heeft die partij zo’n 8.600 kandidaten nodig: 8.000 voor gemeenteraden (400 gemeenten; 20 kandidaten per gemeente); ruim vijfhonderd voor provincies en waterschappen; minimaal honderd voor Tweede en Eerste Kamer.

Bij het huidige ledental van 25.000 betekent dit dat elk VVD-lid (m/v) per verkiezingscyclus een kans van één op drie heeft dat hij kandidaat staat.

En dus kan de VVD de eigen verwachtingen over kwaliteit en integriteit vaak niet waarmaken.

Er komen voor meer partijen schaduwzijden bij. De ledenwerving van partijen gaat soms tegen de geest van de wet in; partijen spenderen rijkssubsidies dubieus; en hun gepubliceerde ledentallen geven meestal een te rooskleurig beeld.

Maar het ministerie van BZK, dat de rijkssubsidie uitbetaalt, is over al deze verschijnselen al jaren lankmoedig.

Het gevolg: als een bijstandsgerechtigde éénmaal een onjuist feit opgeeft staat hij levenslang te boek als fraudeur.

Maar als partijen zich groter voordoen dan ze zijn, of tegen de geest van de wet handelen, wacht ze louter souplesse.

Ik pik er een kleine kwestie uit. Een tijdje terug werd ik getipt over onconventionele ledenwerving voor Forum voor Democratie.

Sinds Baudet in de Kamer zit is Forum de enige partij die serieus ledenwinst boekt. Volgens de laatste opgave van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) kwam Forum vorig jaar ruim boven de 30.000 leden uit. Een razendsnelle groei.

Nu was er rond de jaarwisseling, toen de partij zich beijverde de VVD te passeren, een bekende ondernemer die de FvD-ledenwerving ondersteunde.

Het ging om Roland Kahn, oprichter van modeketen Coolcat, en vorig jaar nog kandidaat-koper van V&D. Hij meent, zei hij eerder in Trouw, dat Nederland „te tolerant” is voor sommige „andere culturen”.

Volgens screenshots van Facebook-berichten die Kahn vlak voor de jaarwisseling postte, spoorde hij vrienden aan FvD-lid te worden.

Hij schreef: „Ik betaal het lidmaatschap van de eerste 200 ‘FB friends’ en van de vrienden van vrienden!! Happy 2019.’’

Maar diezelfde dag, 19.24 uur, herzag hij dit: FvD had hem gemeld dat zijn actie „niet OK” was: „De mensen die zich tot op heden hebben aangemeld ga ik vergoeden maar vanaf NU niet meer want mijn aanbod is in strijd met de WET.’’

Kahn wilde deze week niets zeggen. FvD meldde me vrijdag dat de partij „niet bekend” was met Kahns „spontane initiatief’’, en dat Kahn de actie staakte op verzoek van de partij: Kahn zou op die manier „minder dan tien leden” hebben geworven.

Ik legde het voor aan de Groningse hoogleraar politicologie Gerrit Voerman, als directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen de bekendste onafhankelijk deskundige inzake (financiering van) politieke partijen.

De wet bepaalt dat partijen die minimaal één Kamerzetel hebben, in aanmerking komen voor subsidie. Het subsidiebedrag hangt af van het aantal zetels en het aantal leden. Zo ontving in 2017, het laatst bekende boekjaar, de VVD ruim 2 miljoen euro subsidie, het CDA ruim 1 miljoen, de ChristenUnie 6 ton.

Voerman wees erop dat de wetgever beoogt dat mensen uit eigen beweging lid worden. Dat was bij de actie van Kahn „duidelijk niet” het geval. „Dit kwam in feite neer op ronselen’’, zei hij.

Maar op het ministerie, merkte ik, wegen ze dit anders. Elke vereniging is vrij, mailde een woordvoerder, leden op eigen wijze te werven. Voor de leden die een partij inschrijft na onreglementaire werving, krijgt ze geen subsidie. „Daarom is de actie van de ondernemer op zichzelf niet illegaal, want die leden tellen niet mee.’’

Voerman houdt vol dat Kahn „in strijd met de geest van de wet” handelde. Het feit dat Kahn zijn aanbod relatief snel introk vond hij „minder van belang”. Voerman: „Het belangrijkste is: dit zou niet moeten kunnen.’’

Het deed me ergens aan denken. Vier jaar terug verdiepte ik me in een onbekende partij die dit jaar, na de Statenverkiezingen, een nationale factor kan worden: de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF).

Zoals bekend wordt de Eerste Kamer gekozen door Provinciale Staten, en OSF, een samenwerking van provinciale partijen, bezorgt zichzelf zo sinds 1999 een senaatszetel.

De verwachting is, zei OSF-senator Henk ten Hoeve me deze week, dat de partij dit jaar op twee zetels uitkomt: als de coalitie zijn meerderheid kwijtraakt, gaat het om mogelijk cruciale zetels.

Nu merkte ik in 2015 dat OSF een product is van de subsidieregels. De rijkssubsidie die de partij ontvangt dankzij haar senaatzetel – ruim 2 ton – sluist ze grotendeels door naar de in OSF deelnemende provinciale partijen.

En deze partijen doen er de wonderlijkste dingen mee. In oudere jaarverslagen kwam ik tegen: onderzoek naar het Drents volkslied (8.500 euro); een cd met liedjes in dialect (11.600 euro), onderzoek door politicoloog Krouwel naar ‘regionale en lokale partijen’ (23.000 euro), etc.

Toch mailde BZK me destijds, zag ik terug in mijn archief, dat dit soort aanwending van rijkssubsidie volgens het ministerie geoorloofd was.

Maar zelfs OSF-senator Ten Hoeve erkent nu dat het „niet allemaal gelukkige uitgaven’’ waren.” Ten Hoeve: „Dat doen we niet meer.”

Een veeg teken: de subsidie ontvangende partijen zijn zélf strenger dan het subsidieverstrekkende ministerie.

Er komt nog iets bij. De jaarlijkse DNPP-publicatie van nieuwe ledentallen is gebaseerd op gegevens van de partijen zelf. Vorige maand kwamen de cijfers over 2018: het CDA de grootste (43.000 leden), de PvdA twee (42.000), SP drie (36.000), FvD nu al vier, de VVD gezakt naar plek acht.

Maar na accountantscontrole blijkt steeds dat er lucht in deze cijfers zit: lang niet alle leden die partijen opgeven, tellen mee voor de subsidietoekenning – bijvoorbeeld omdat partijen ouderen of lage inkomens gratis of met korting inschrijven.

Voerman stuurde me de laatst geregistreerde verschillen (boekjaar 2017), en dan valt het CDA bijna een kwart terug, GroenLinks 16 procent, terwijl de VVD exact gelijk blijft, en enkele kleine partijtjes iets groter worden.

De kern: veel partijen blijken voor de subsidiegever stukken kleiner dan ze zelf voor de DNPP-publicatie opgeven.

Het illustreert dat het fundament onder de democratie nóg zwakker is dan de geopenbaarde dalende ledentallen suggereren. En het leert vooral dat de lankmoedige controle van het ministerie op ledenwerving en subsidiebesteding een probleem maskeert dat te gevaarlijk is om nog langer onder de pet te houden.

Want zolang kiezers niet weten hoe fragiel het fundament onder de democratie is, zal er ook niets aan gebeuren.

Zeker niet in campagnetijd.

    • Tom-Jan Meeus