Opinie

Afscheid van een hoofdredacteur, een stoofpot van biecht en verantwoording

De ombudsman

Je moet weg voordat je verandert in „de langspeelplaat met de tik erin”. Aldus Folkert Jensma bij zijn vertrek als hoofdredacteur in 2006. De primus inter pares was opgelucht, stelde interviewer Gerard van Westerloo vast, na tien inspirerende, maar zware jaren. Afscheid nemen met een interview in de eigen krant is dan een kans om de NRC -hoofdredacteur nu eens aan te spreken zonder de muilkorf van de hiërarchie. André Spoor (1983), Wout Woltz (1992), Ben Knapen (1996), Folkert Jensma (2006) en Birgit Donker (2010) lieten zich zo ondervragen.

Het is ook een goed gebruik, zegt Woltz, nu de oudgediende onder hen, al weet hij uit eigen ervaring dat zo’n gesprek altijd „één en al dubbelzinnigheid” is. Bedankje én recensie, biecht en verhoor, van iemand die nog net wel en al niet meer als hoofdredacteur spreekt en aangesproken wordt. Het vergrootglas bij lezers én redacteuren ligt klaar, en er is ook altijd wat op terug te zeggen. Vandaar dat die interviews in de regel niet worden gedaan door NRC-redacteuren.

Zaterdag bracht de krant een afscheidsinterview met Peter Vandermeersch, na bijna tien jaar turbulent hoofdredacteurschap. In dat interview met Coen Verbraak sprak de gaande man over zijn inzet, de eenzaamheid en slapeloosheid – en betuigde hij spijt over een aantal uitbarstingen, waarbij hij redacteuren, aldus de interviewer, „de huid vol schold”.

Opmerkelijk, en ik las dat als een poging om de lezers, maar ook de redactie, te laten weten dat hij besefte dat hij in zijn hervormingsdrift op de krant te ver was gegaan tegen ondergeschikten, en nu een handreiking wilde doen. Dat beaamt Verbraak, die zegt te hebben gemerkt dat de scheidende leider er behoefte aan had dit te laten weten.

Er werd ook iets op teruggezegd, en wel op één zo’n berouwvolle passage: zijn bezigen van „krachttermen die echt ongepast waren” in een conflict met toenmalig chef Boeken Pieter Steinz, in 2011. Aan ballen bij recensies wilde de chef niet, de hoofdredacteur wel – net als bij films.

Maar die woeste en pijnlijke confrontatie – Steinz vertrok kort daarop naar het Letterenfonds – ging over veel meer dan het plaatsen van ballen bij recensies, zeggen (oud-)redacteuren van de bijlage. Steinz liet zich er nooit publiekelijk over uit en overleed in 2016 aan de ziekte ALS.

Het wordt zonder omhaal erkend door Vandermeersch, die zegt dat hij het tegendeel ook niet heeft willen suggereren. Hij wilde juist „een verzoenend gebaar” maken. Het conflict met Boeken, zegt hij, betrof „het hele pakket” veranderingen waarmee de hoofdredactie de bijlage wilde inpassen in de herziene cultuurkaternen. Dat hield onder meer in: een gelijksoortige vormgeving, met op de voorpagina geen stuk maar een illustratie, en een meer bepalende rol voor beeld.

Steinz zag dat pakket als aan aantasting van de kwaliteit van de bijlage; de hoofdredacteur, die bij zijn aantreden in 2010 zei van het eilandenrijk NRC één krant te willen maken, zag het verzet als conservatisme. In de jaren na Steinz’ vertrek volgden meer aanpassingen, zoals een Top-10 en pagina’s cultuurnieuws, die leidden tot minder woorden voor recensies. De ballen kwamen er ook.

De stoofpot van verantwoording, biecht en zelfrechtvaardiging waar zo’n slot interview met een hoofdredacteur toe uitnodigt, staat ook in eerdere afleveringen op het vuur, zij het op een wat lager pitje.

Ben Knapen (1990-1996) werd bij zijn vertrek door Peter Brusse aan de tand gevoeld over zijn overstap naar Philips, een carrièreswitch die door een deel van de redactie – die in de lucide geest Knapen een levenslange hoofdredacteur had gezien – werd ervaren als verraad aan de journalistiek. Knapen verbaasde zich daarover; de journalistiek is toch „niet een soort priesterschap”, zei hij, dat je alleen verlaat op straffe van excommunicatie. Knapen keerde overigens later terug als PCM-bestuurder en als columnist en Azië-correspondent voor NRC.

Folkert Jensma (1996-2006), die met nrc.next in één klap de grootste oplagestijging ooit voor NRC realiseerde, kreeg van Gerard van Westerloo de vraag of hij als lezer zelf eigenlijk genoeg zou hebben aan die jeugdige ochtendkrant. Jensma: „Ik? Nee. Geen sprake van. [...] Ik ben 48 jaar. Voor mij zijn de nieuwe media er later in mijn leven bijgekomen.” Hij voorzag dat NRC „uit een aantal gedrukte vormen zal gaan bestaan” voor doelgroepen. Dat was het vooruitzicht, vóór het succes van smartphones en tablets.

Ook Jensma’s opvolger Birgit Donker (2006-2010) noemde tegenover Coen Verbraak de positie van hoofdredacteur „eenzaam”. Niet verwonderlijk, want na een conflict met de uitgever over koers en leiding van het net zelfstandige NRC Media moest zij onder druk van de nieuwe eigenaren van de krant terugtreden, net als de uitgever. Over die deprimerende periode in de NRC-annalen zegt ze: „Ik had het gevoel dat ik de krant in de steek liet.” Donker was ook de eerste hoofdredacteur die tevens lid was van de directie.

En dan Wout Woltz (1983-1989), de enige die wél werd ondervraagd door NRC-redacteuren, de jonge verslaggevers Bas Blokker en Coen van Zwol. Zij constateerden bij hun voormalige hoofdredacteur „iets dandy-achtigs” (met dank aan zijn bolhoed) en een bij vlagen bescheiden arbeidsethos (oude verhalen uit de begintijd van NRC Handelsblad toen Woltz diende als adjunct in een topzwaar kader van vier hoofdredacteuren). Woltz was niet geamuseerd. Het kwam het duo te staan op een hoofdredactionele schrobbering: dit was niet chic. Woltz, nu: „Ik vond het te veel gericht op mijn soms wat exotische gedrag en te weinig op mijn briljante denkbeelden over journalistiek en wereldpolitiek.” Maar dat is het genre, zegt hij: „Jonge leeuwen trekken het nu machteloze alfamannetje aan zijn staart.” Inmiddels noemt hij het „een adequaat en vermakelijk verhaal”.

Het laatste woord is aan André Spoor (overleden in 2012), de langstzittende hoofdredacteur (1970-1983). In gesprek met Max Pam blikt Spoor uitgebreid terug op zijn levensloop, de krant, zijn leiderschap („de man die er met de bezem doorheen gaat, daar geloof ik niet zo in”), en het nieuws.

Geen betere illustratie van een halve eeuw professionele revolutie, waarin journalisten weer letterknechten of juist sterren en opinieleiders zijn geworden, dan dit citaat van Spoor: „Echte bezetenheid, geconcentreerd zijn op één onderwerp, is met journalistiek nauwelijks te rijmen. Het enige waar je als journalist bezeten van kunt zijn, is het bedrijven van goede journalistiek, maar dat is een paradox, want goede journalistiek houdt automatisch in: afstand nemen en relativeren.”

Hoewel, als voetnoot nog een suggestie van Woltz: „Misschien zou het nuttiger zijn zo’n interview eens aan het begin te doen, dan weten de lezers met wie ze te maken krijgen.” Al zal een aantredend hoofdredacteur, zegt hij, natuurlijk extra op zijn woorden letten – je wordt er immers ook op afgerekend.

Reacties: ombudsman@nrc.nl