Recensie

Ze brachten avonden door in Amsterdamse cafés en snotterden samen om E.T.

Campert & van Kooten Al meer dan vijftig jaar zijn Kees van Kooten en Remco Campert zeer goede vrienden. Ze besloten hun briefwisseling te bundelen in het ontroerende ‘Aanelkaar’. (●●●●)

Illustratie Paul van der Steen

‘Vandaag is het nu avond/ gegeten met liefste vrienden/ even ontheven aan poëtische plicht/ op lachen gericht van elkaar weten/ dat het diepste van de liefde de vriendschap is’. De vriendschap die Remco Campert hier beschrijft, in de opening van zijn gedicht ‘Vrienden’ (Open ogen , 2018), hoeft niet bewezen, hoeft niet beschreven, ze wordt simpelweg ‘geweten’; dat voldoet.

Zulke vrienden, stel ik me voor, zijn hij en Kees van Kooten van elkaar, al meer dan vijftig jaar. Ze bezochten elkaar in hun buitenhuizen in Frankrijk, stuurden elkaar honderden ansichtkaartjes, brachten tal van avonden door in Amsterdamse cafés, bezorgden elkaar veelvuldig de slappe lach en zaten op een middag samen in de bioscoop te snotteren om E.T., een anekdote die al in Van Kootens Modermismen (1984) opdook. (Campert: ‘Ik vind [onze tranen] ook nog steeds heel terecht.’)

Hoewel Campert vriendschap en schrijverschap in het gedicht zo lijnrecht tegenover elkaar plaatste (het schrijven een ‘plicht’), besloot hij Van Kooten in november 2017 voor te stellen ‘samen een boek te schrijven’. De voorwaarden: er moest ‘de noodzaak van het schrijven in zitten’ en ‘zonder elkaar zouden we het niet geschreven hebben’. Van Kooten reageert enthousiast. Het idee resulteerde in het brievenboek Aanelkaar, mooi vormgegeven door Piet Schreuders.

Ontsluieren versus verhullen

De noodzaak van het schrijven, wat is dat precies? Normaal gesproken een loze vraag natuurlijk (je vóelt het), maar tijdens het lezen van Aanelkaar dringt die zich op, omdat Van Kooten (1941) en Campert (1929) zulke volslagen verschillende schrijvers zijn. Beiden ‘moeten schrijven’, dat valt te voelen, maar voor de een lijkt deze roeping een totaal andere functie te vervullen dan voor de ander. Misschien mag ik het zo zeggen: Campert onthult, Van Kooten verpakt. Zet je de twee schrijfattitudes naast elkaar, dan levert dit hier en daar een ietwat schrijnend contrast op.

Niemand kent ons meer, zeggen Kees van Kooten en Wim de Bie vrolijk. Ze zijn al achttien jaar niet meer op televisie. Lees ook: Niemand kent ons meer, zeggen Van Kooten en De Bie

Er zijn drie thema’s, nauw met elkaar verbonden, waarover Campert met Van Kooten wil corresponderen. Over de dood, waarvan hij het gevoel heeft dat die niet lang meer op zich zal laten wachten. Over het geheugen, herinneringen die ‘langzamerhand aan het oplossen’ zijn. En over de oorlog. (‘Ik denk iedere dag aan de oorlog.’) Keer op keer werpt hij de woorden op – ‘dood’, ‘geheugen’, ‘oorlog’ – in de klare stijl die we van hem kennen: naakte, goudeerlijke en toch altijd vederlichte zinnen, vaak ontroerend grappig ook, nooit geforceerd. Camperts taal is vanzelfsprekend als ademen.

‘[I]k schrijf een end van me weg/ maar hoop dichterbij te komen/ bij mijn vrienden en u’, schreef hij, ook in ‘Vrienden’. In Aanelkaar is Camperts poging ‘dichterbij te komen’ in vrijwel iedere zin voelbaar. Met een betoverende kwetsbaarheid reikt hij Van Kooten (en ons) in zijn brieven de hand.

Van Kootens schrijven verraadt een andere drijfveer. Meer dan naar verbinding met de ander lijkt hij in zijn teksten op zoek naar een acceptabele verhouding tot zichzelf. Waar Campert wezenlijke zaken met zijn teksten ‘ontsluiert’, lijkt Van Kooten zaken die er voor hem toe doen te willen kooien, in een vorm te gieten, er door middel van die vorm de angel uit te halen. Het mooist zijn de passages waarin hij gevoelens van schaamte op die manier probeert te neutraliseren.

Een van zijn brieven gaat over fotografen. Hij vertelt dat hij nooit moeite had als een van zijn ‘typetjes’ op de foto te gaan, maar steevast verkrampte wanneer er een portret van hemzelf moest worden gemaakt: ‘Vanuit een hinderlijk hyperbewustzijn heb ik nooit als mijzelf leren kijken en op mijn eigen innerlijk geleken.’ Op een bepaalde manier gaat dit op voor zijn brieven. Zeker wanneer je ze na die van Campert leest valt de constructie op, de vorm, de kunstmatigheid. Ze bestaan uit zinnen waar op lijkt te zijn gezwoegd. Net als de ‘typetjes’ vertellen zijn teksten wel degelijk iets persoonlijks over hem, maar altijd via een omweg.

Broze brieven

Van Kooten gaat weliswaar soms in op thema’s die Campert aansnijdt, maar niet voordat hij ze zorgvuldig heeft ingebed in een vermakelijke anekdote, gelardeerd met woordgrapjes en allerhande stijlfiguren. Veel van zijn brieven zouden als column niet misstaan. Ze geven daardoor soms de indruk minder aan Campert gericht te zijn dan aan de vreemde, de lezer, die geamuseerd of geïmponeerd dient te worden, of toch tenminste wat op afstand gehouden. Het valt vooral op wanneer hij gezamenlijk beleefde voorvallen tot in detail navertelt, wat iets banaals heeft; Campert was er toch zeker zelf bij? Het roept de vraag op hoe de briefwisseling zou zijn verlopen wanneer die niet voor publicatie bestemd was geweest.

Voor haar biografie van Remco Campert sprak Mirjam van Hengel jarenlang op vrijdag een uurtje met de schrijver. Lees ook: ‘Hij schaamt zich voor de onverantwoordelijke vader die hij was’

‘We hoeven niet in te haken op iets wat de vorige schrijver schreef’, zegt Campert in zijn openingsbrief. Van Kooten, die zich (als schrijver althans) soms geen raad lijkt te weten met Camperts openhartigheid, maakt dankbaar gebruik van deze uitwijkmogelijkheid. Wanneer Campert bijvoorbeeld vertelt dat ‘het vergeten’ bij hem ‘ernstige vormen begint aan te nemen’ en een foto beschrijft waarop hij met zijn vader te zien is, zijn vader die hem verliet toen hij drie was en later omkwam in een concentratiekamp, reageert Van Kooten met de mededeling dat hij een nieuwe bank heeft gekocht.

Of hier, het aangrijpende slot van een van Camperts brieven: ‘Ik heb de laatste tijd het gevoel dat ik niet meer zo lang zal leven. Over de dood valt niets te zeggen. Misschien alleen dit: wat zal ik jullie missen.’ Hij vervolgt met een PS: ‘Dit is me toch iets te larmoyant. Ik weet zeker dat ik heel oud word, veel ouder dan ik nu ben. Dat is voorzegd.’

Van Kootens reactie: ‘Zo mag ik het horen!’ Hij haakt in op dat laatste woord, ‘voorzeggen’, dat hij even in het woordenboek moest opzoeken, om vervolgens uit te wijken naar andere taalgerelateerde zaken, maar nergens terug te keren naar Camperts broze brief.

Eenzaamheid

Terwijl je blijft hopen op een gesprek ‘als bouwwerk’, zoals Campert ergens opmerkt, wordt hier steentje na steentje náást elkaar neergelegd. Er wordt verteld, indringend verteld vaak, maar amper geluisterd. Het maakt dat de bundel als geheel uiteindelijk, meer dan over vriendschap, over eenzaamheid gaat. Meer dan over de intieme verbinding die het geschreven woord tot stand kan brengen, gaat Aanelkaar over de ontoereikendheid van taal, de overbodigheid ook wellicht, en over de angstige onmacht zich werkelijk met de ander te verbinden – een onmacht die misschien wel in het geval van beide auteurs de kiem legde voor het schrijverschap. Het heeft natuurlijk iets tragisch, maar daarmee ook iets uitermate ‘Campertiaans’. De ontroerende kracht van deze bundel zit hem, boud gezegd, misschien wel in het mislukken ervan.

Bovenal doet Aanelkaar verlangen naar nieuw, eigen werk van deze twee auteurs. Van Van Kooten die, tussen de kwinkslagen door, verhaalt over de ‘onmogelijkheid van het blijven lachen om een tijd die allang de jouwe niet meer is’. En van Campert, wiens brieven doen hunkeren naar zijn hernieuwde verkenning van het geheugen – de oorlog, het luchtalarm, de schuld, de vader.

‘Nieuwe schrijfambities roepen ons’, noteert Campert in zijn laatste brief aan Van Kooten. Die mededeling komt hier niet als een verrassing, want als er één ding glashelder blijkt uit Aanelkaar, dan is het dat deze grootse auteur nog lang niet is uitgeschreven.