Analyse

Misschien is het maar beter dat de Britten gaan

Altijd al stonden de Britten met één been buiten de Europese Unie. Dat was nuttig; ze hielden de rest scherp, schrijft Caroline de Gruyter. Maar nu zeggen ze in Brussel dat een Brexit misschien het beste is.
Pro-Europa campagne bij het eerste Brexit-referendum in 1975.
Pro-Europa campagne bij het eerste Brexit-referendum in 1975. Foto Getty

Mensen zeggen vaak dat de Britten in de Europese Unie moeten blijven. Dat ze een tweede referendum moeten houden, of artikel 50 annuleren. Veel Nederlanders zouden zich verheugen op zo’n Breunion . Ook Europees president Donald Tusk zei laatst: „Als er geen deal mogelijk is, en niemand wil een no deal , wie heeft er dan de moed om te zeggen wat de enige positieve oplossing is?” Maar kan dat wel, een Breunion? Is het mogelijk dat het VK op een dag weer meedraait alsof er niets gebeurd is?

Zeer twijfelachtig. Wie de Britse Europa-politiek van dichtbij heeft gevolgd en de Britten in Brussel heeft zien opereren, weet dat het Brexit-referendum niet uit de lucht is komen vallen. Er ging een lang, mentaal proces aan vooraf. De politieke en bestuurlijke elite in Londen is al vele jaren aan het uitchecken.

Niemand heeft dit mentale ‘uitchecken’ zo goed verwoord als de voormalige Britse ambassadeur bij de EU, sir Ivan Rogers. Hij zei eens: „Sinds wij in 1973 lid werden van de Europese Unie, hebben we andere lidstaten en de Brusselse ambtenarij spiegels voorgehouden. Jullie spiegels voorhouden over dingen die fout liepen en hoe het anders kon in de EU, dat was één van onze grote genoegens. Die rol lag ons. Zozeer, dat we niet meer uit die rol kwamen. Wij werden de spiegel.”

Hij heeft gelijk: als iets een diepere verklaring levert voor de Brexit, is het die spiegelfunctie wel. Dit wordt een grote aderlating voor de 27 achterblijvende landen – dat die spiegel er straks niet meer is. Bij officiële besprekingen, informele discussies of zaterdagse Brusselse etentjes met vrienden was het vaak de Brit in het gezelschap die met die ene rake opmerking kwam waar de rest dagen later nog op kauwde. Als een Brit het woord nam, werd het stil. Dan werden er dingen gezegd waar anderen niet opkwamen. Niet omdat Britten slimmer zijn, maar omdat ze overal naar keken met de verfrissende blik van de buitenstaander. Zij zagen dingen die Nederlanders of Fransen niet zagen. Waarom? Omdat ze vanaf het begin fundamenteel anders in de EU hebben gestaan.

Neem die discussie over populisme in een klein Europees gezelschap in 2012. Een Brit aan tafel merkte op: „Jullie Europeanen zijn bang voor de globalisering. Wij helemaal niet. Wij zijn alleen eurosceptisch.”

Tijdens een evaluatie van de ‘Neighbourhood Policy’, het EU-beleid voor buurlanden, rond diezelfde tijd, gooide een Brit de volgende knuppel in het hoenderhok: „Wij boden Libië allerlei samenwerking, als zij onze gender values zouden overnemen. Maar Libië heeft niks met gender values. Al onze pogingen liepen op niks uit. De Neighbourhood Policy is één groot debacle, mensen. We moeten die grandioze naïeve programma’s weggooien, en terug naar klassieke bilaterale diplomatie.”

In een gesprek over de Europese begroting, waarbij iedereen voorspelbare dingen zei (de Nederlander wilde op landbouwsubsidies bezuinigen, waar de Fransman tegen was, enzovoort) merkte een Brit op: „In de lidstaten staat het ministerie van Financiën altijd op de rem als regering of parlement meer willen uitgeven. Financiën wil altijd mínder uitgeven. Het is jammer dat Europa niet zo’n instelling heeft die lastige vragen stelt en altijd op de rem staat. Dus doen wij het.”

Dit soort opmerkingen hield de rest scherp. Tegelijkertijd waren ze, jaren geleden al, een signaal van een immer sluimerend Brexit-gevaar. De voormalige Franse Europarlementariër Jean-Louis Bourlanges zei eens dat de Britten „met één been in de EU staan en met het andere erbuiten”. Dat is vanaf het begin zo geweest. Brexit is de formalisering van die positie als buitenstaander.

Neem het EU-lidmaatschap zelf. Aanvankelijk, in de jaren vijftig, wilden de Britten niet bij de Europese Gemeenschap (de voorloper van de EU). In de jaren zestig veranderden ze van gedachten. Om twee redenen. Eén: Douanetarieven tussen lidstaten waren afgeschaft. De economie groeide als kool. De Britten, die het minder voor de wind ging, wilden in die voorspoed delen. Twee: De lidstaten praatten over meer integratie, op landbouw- en defensiegebied. Er werd zelfs al nagedacht over één munt. Londen vreesde een machtig politiek blok, pal voor de deur. En bedacht: misschien was lid worden toch beter. Dan kon je Europese plannen jouw kant op buigen, of torpederen. Dáárom trad het VK, na twee veto’s van generaal De Gaulle, in 1973 toch toe. De conservatief Edward Heath was toen premier.

Beluister ook de podcast ‘Haagse Zaken goes Brexit’ waarin drie generaties correspondenten met standplaats Londen de Brexit bespreken in een historische context.

Tegenstanders van toetreding tot de EEG in 1971, voordat het VK in ’73 tot de EU toetrad.

Foto Getty

In de Britse tv-serie Yes Minister, uit begin jaren tachtig, herinnert de directeur-generaal van het ministerie zijn minister constant aan de twee belangrijkste redenen om lid te worden: economisch profijt, en sabotage van Europese politieke projecten. In een van de afleveringen verklaart de directeur-generaal met een vilein grijnsje: „Het Foreign Office is pro-Europa, omdat het eigenlijk anti-Europa is.”

De spiegel is ook beter te begrijpen als je weet dat Londen in 1974, één jaar na toetreding, alweer een heronderhandeling aanvroeg. Labour was aan de macht gekomen. De partij was verdeeld over lidmaatschap en wilde nieuwe voorwaarden. Net als in 2016 onder premier Cameron sleepten de Britten daar weinig uit. In 1975 volgde een referendum over de vraag of het VK lid moest blijven – het eerste nationale referendum ooit ging dus over een Brexit. Toen al. Een deel van de regering voerde, net als in 2016, campagne tegen lidmaatschap. Tweederde van de bevolking stemde voor.

Veel Britten hadden meteen een soort ingebakken kriebel bij het lidmaatschap. „In andere landen waren mensen blij met hun toetreding. Het maakte hen trots”, zei oud-ambassadeur Rogers eens. „Bij velen van ons riep toetreding een ander sentiment op: nationale angst. Die heeft ons sinds 1973 niet meer losgelaten.”

Er is meer. Margaret Thatchers fameuze speech in Brugge, in 1988, was al een duidelijke oproep voor een minder politiek, meer intergouvernementeel Europa. Maar voor veel Britten was ‘Zwarte Woensdag’ het echte keerpunt. Toen, in september 1992, viel het Britse pond uit het Europese Wisselkoersmechanisme. Dat gaf de Britse economie een oppepper. En leidde meteen tot pleidooien voor een Britse exit. Veel Europeanen namen dat niet zo serieus. De Britten drukten een sterke stempel op de Europese Gemeenschap. Ze waren een groot land in een klein clubje. Hun stem woog zwaar. Zouden ze dat zomaar opgeven? Daarbij, de interne markt werd opgetuigd door een Britse Eurocommissaris. Ook had Thatcher een korting op de Britse bijdrage aan de Europese begroting gekregen – de rebate – en had ze verdere uitbreiding van de EEG prominent op de agenda gezet.

Wat veel Europeanen zich niet realiseerden, was dat de meeste Britse burgers geen flauw benul hadden van al deze Britse verworvenheden in Europa. De Britse pers was aarts-sceptisch. Geen enkele Britse regering slaagde er ooit in om in eigen land een stevige boom over Europa op te zetten. Oftewel, de Britten konden Europa spiegels voorhouden, maar zichzelf niet. Daarom bestendigde Zwarte Woensdag een groeiend gevoel: we kunnen het wel alleen.

Het was vaak de Brit in het gezelschap die met die rake opmerking kwam waar de rest nog dagen op kauwde

In datzelfde jaar, 1992, tekenden de lidstaten het verdrag van Maastricht. De EEG werd de EU. Er kwam meer politieke integratie, met ambitieuze projecten als Schengen en de euro. Het VK wilde dit niet en bedong permanente opt-outs. Vanaf dat moment hadden de Britten een andere bestemming dan de rest. De anderen sloegen de weg van ever closer union in. Het VK zwenkte af. Sindsdien ging het land de EU vooral zien als blok aan het been. En als bemoeienis van buitenaf, die niet te stoppen viel.

Dat was in Brussel te merken. De Britten klaagden dat ze niet werden geraadpleegd over de politieke plannen van de anderen, al wilden ze er zelf niets mee te maken hebben. En ze gooiden de kont tegen de krib. Van stemrecht voor gevangenen tot een minimumperiode voor zwangerschapsverlof: ze lieten geen gevecht meer lopen, al kwam die regelgeving vaak direct voort uit geschillen op de interne markt – die de Britten zelf zo hard pushten. „Na Maastricht begon onze disaffection met Brussel”, zegt een voormalig Brits functionaris .

Lees ook: Liever pijn dan onzekerheid over de Brexit

Misschien dat de Britten in die dagen zélf wat vaker in de spiegel hadden moeten kijken. Zo vocht niemand harder voor de grote uitbreiding in 2004 dan het VK, direct gevolgd door Nederland. Ze deden dat om twee redenen: op een grotere markt kun je meer geld verdienen, en met zoveel meer spelers maak je besluitvorming in de EU moeilijk. Maar met de uitbreiding schoot Londen ook in eigen voet. Het leidde tot immigratie van Oost-Europeanen, waarover de frustratie later zo overkookte dat het een van dé drijfveren werd voor de Brexit. Het tweede bijeffect was dat het centrum van Europa na 2004 verder naar het oosten schoof – ergens tussen München en Wenen. Dit vergrootte het Britse gevoel van vervreemding van Europa: het VK bungelde nu aan de uiterste rand van het continent.

Dat gevoel uitte zich in Brussel in de jaren 2000 op allerlei manieren. De Britten hadden een geweldig trainingsprogramma dat ambtenaren klaarstoomde voor een post in Brussel. Daardoor hadden zij, als er vacatures waren, vaak de beste kandidaten. Zij kenden hun dossiers, spraken hun talen en wisten de weg. Hierdoor belandden veel Britten op sleutelposten bij Europese instellingen. Maar ineens werd dat programma geschrapt. Het werd te duur, zei men. Ook kwamen er verhalen over werkgroepen buitenlandse politiek, waar de Britten voorheen het hoogste woord voerden en het best voorbereid waren. Ineens stuurden ze tweederangs mensen, die het woord namen en geen enkel voorstel meer deden.

Europafans bij een eerste Brexit-referendum in 1975.

Foto Getty

Al die tijd bleven de Britten andere Europeanen spiegels voorhouden. Maar : steeds vaker sloegen ze ook het gesprek dood, doordat ze het niet meer over Europa wilden hebben – het gemeenschappelijke verhaal – maar over zichzelf. Hun eigen positie in Europa werd het issue, niet Europa zelf. Zo zei een Brit tijdens een debat over Spitzenkandidaten dat het hem „geen donder” kon schelen „of die kandidaten in de modder eindigen of op Mars”. Daarna hield hij een tirade over de „conclusions graveyard” van regeringsleiders „die veel beslissen maar niks uitvoeren”, wat volgens hem al een paar keer bijna tot een Brexit had geleid.

In het Europees parlement incasseerden de Britten vaker nederlagen. Ideologie werd belangrijker dan het veelgeprezen Britse pragmatisme. Neem het vertrek van de Tories uit de conservatieve Europese familie, de EVP. Dit gebeurde onder leiding van premier Cameron, in 2009. De Tories zochten hun heil bij een groepje eurosceptische Polen en Tsjechen. Die sloegen politiek geen deuk in een pakje boter. Ineens werd het meeste nieuws gemaakt door Nigel Farage, die president Van Rompuy „a wet rag ” noemde en beneveld aan de bar hing. Maar wetgeven deed hij nauwelijks.

Het resterende Britse euro-commitment werd weggespoeld door de eurocrisis. De Britten ergerden zich aan het amateurisme waarmee euroleiders het vuur poogden uit te trappen. De Britten leven van de haute finance, maar ze hadden niets aan die expertise: dit was geen financiële crisis, maar een politieke. Bij briefings van Britse ministers en diplomaten had je het gevoel dat je op de maan zat. President Van Rompuy, die de crisistoppen voorzat, vertelde later dat hij weinig last had gehad van de Britten: „Ze waren geen deel van dit verhaal.” Londen weigerde zelfs mee te doen aan bankentoezicht en nieuwe begrotingsafspraken. Vrijwel alle andere niet-eurolanden deden wél mee.

Zo knipten de Britten zichzelf steeds meer uit de Europese foto. Vorige maand zei voormalig EU-ambassadeur Ivan Rogers in het Lagerhuis dat bijna al zijn instructies uit Londen negatief waren: blokkeer dit, torpedeer dat. Ironisch genoeg wil het VK aan de dingen die híj destijds moest tegenhouden – het satellietproject Galileo, Europese defensie – nu per se meedoen.

De Britten kwamen de bankencrisis sneller te boven dan eurolanden. Maar dat maakte de spiegel niet minder beslagen. Integendeel. Britse commentaren over Europa werden zuur en neerbuigend. Terwijl de eurozone kwakkelde, groeide de Britse economie. Het enige continent met nog lagere groei, sneerde Brexiteer Boris Johnson, was Antarctica. De Britten, schreef de Amerikaanse site Slate, zaten „shackled to a corpse”, vastgeklonken aan een lijk.

Ook bij de migratiecrisis zaten de Britten in andermans film. Dit ging over Schengen, waar zij niet aan meededen. Toen EU-landen in 2015 over een Europees asielbeleid onderhandelden, liet een Britse onderhandelaar zich ontvallen dat „de incontinentie van de Europese instellingen eens moet ophouden”.

Hoe lang hadden de Britten kunnen blijven meedraaien als Remain het referendum had gewonnen? Twee jaar, vijf? In Brussel zeggen velen dat het misschien toch beter is dat de Britten eruit gaan.

De spiegel is intussen vrijwel verdwenen. Foetsie. Er zijn weinig Britten meer die Europa scherp maar welwillend op zijn nummer willen zetten. Ze staren naar hun eigen navel. In de Londense politiek en ambtenarij heeft de EU-kennis een treurig diepterecord bereikt. Velen die Brussel kennen en er contacten hebben, zijn op een zijspoor gezet. Parlementariërs bepleiten „oplossingen” waarvan zelfs een stagiair weet dat die politiek of juridisch onmogelijk zijn. Zelfs premier May, een Remainer, dacht dat ze de Europese deur achter zich kon dichtslaan om daarna, van buitenaf, een paar EU-programma’s uit te kiezen waar ze alsnog aan wilde meedoen. May was minister van Binnenlandse Zaken toen de Europese Justitie-samenwerking van de grond kwam. Zij wilde nergens aan meedoen – nog een pre-Brexitsignaal. Later koos zij toch een paar vormen van samenwerking uit waar ze wél aan mee wilde doen, zoals het Europese opsporingsbevel. Met die verlate opt-in pikte ze dus wat kersen van de taart.

Premier May dacht dat de hele EU zo werkte: dat je eruit kon, en daarna met een opt-in weer gedeeltelijk erin. Zo had ze het beleefd, zo wilde ze het met Brexit wéér doen. Ze wist niet dat de besluitvorming bij Justitie anders is dan, bijvoorbeeld, de interne markt. De interne markt is communautair. Ze wordt gedomineerd door regels. De besluitvorming gaat met meerderheden. May deed er anderhalf jaar over om te begrijpen dat je op de interne markt óf het hele pakket kon nemen, of niets. Een van de mensen die haar hiervoor waarschuwden, was ambassadeur Rogers. Hij nam in december 2016 ontslag omdat ze zijn adviezen in de wind sloeg. Tegenwoordig is hij consultant en houdt hij lezingen voor Britse universiteiten en instellingen. Rogers houdt niet meer de Europeanen, maar de Britten een spiegel voor.

Lees ook de Engelstalige versie van dit essay: Perhaps they’d better go

Correctie 11 maart 2019: in een eerdere versie van dit artikel stond ‘onder premier Cameron in 2009’. Cameron werd in 2010 pas premier.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.