Recensie

Het juridische drijfzand van Oldenbarnevelt

Nicolaas Matsier In een roman over de 400 jaar geleden onthoofde Johan van Oldenbarnevelt laat Nicolaas Matsier de raadpensionaris nadenken over zijn carrière, zijn misstappen en zijn verdediging tijdens zijn proces.

Het jaar 2019 is ‘het jaar van Johan van Oldenbarnevelt’, merkte recensent René van Stipriaan vorige week in deze krant op. Dit omdat het precies 400 jaar geleden is dat de landsadvocaat het proces doorstond dat zou leiden tot zijn dood; op 13 mei 1619 waren duizenden mensen op het Haagse Binnenhof getuige van zijn executie. Oldenbarnevelt zal dit jaar postuum opduiken in diverse tentoonstellingen en boeken.

Van Stipriaans opmerking was te lezen in een bespreking van De zaak Oldenbarnevelt, de reconstructie die historicus Wilfried Uitterhoeve (1944) schreef over het proces en de aanleiding daartoe, de onverkwikkelijke band tussen Oldenbarnevelt en de man met wie hij ook lang in harmonie had samengewerkt, stadhouder Maurits, de zoon van Willem van Oranje.

Dit proces vormt ook het uitgangspunt van de nieuwe roman van Nicolaas Matsier (1945), De advocaat van Holland. Matsier begint met vertellen op het moment dat Oldenbarnevelt in augustus 1618 gearresteerd wordt. Het is Kafka avant la lettre, want eerst is helemaal niet duidelijk dat het een arrestatie betreft en wat de gronden er voor zijn. Pas achter slot en grendel begint het Oldenbarnevelt te dagen dat iets of iemand hem belasterd heeft en dat het wel eens de verkeerde kant op kan gaan met hem.

Zelf googlen

Matsier heeft vooral ingezet op het professionele. Hij laat Oldenbarnevelt nadenken over zijn carrière, over de eventuele misstappen die hij daarin maakte en over de manier waarop hij zijn verdediging zal vormgeven. Af en toe mijmert hij wel wat over zijn vrouw Maria, stramme ledematen of over zijn bezittingen (wat zal er straks mee gebeuren?), maar De advocaat van Holland lijkt toch vooral geschreven om ons te herinneren aan het juridische drijfzand waar Oldenbarnevelt in belandde. Matsier kan hier als romanschrijver de ruimte nemen om ons een – in feite bejaarde – man te tonen die zich plots álles moet herinneren omdat hij niet eens goed weet wat de aanklacht is. En dat in z’n eentje, want de knecht die hem ter ondersteuning is aangeboden kan ook weinig betekenen.

Maar afgezien van dit element is de roman niet het gedroomde podium om alle feiten nog eens te presenteren. Dat zit hem alleen al in de verteltechniek: in een non-fictieboek als dat van Uitterhoeve kunnen de toch vrij specialistische data kalm en overzichtelijk op een rij worden gezet, terwijl Matsier dat via een omweg, via een personage moet doen. Een personage dat natuurlijk niet in tekst en uitleg of voetnoten spreekt of denkt, waardoor de feiten maar moeizaam beklijven.

Het ironische is dus dat je al behoorlijk op de hoogte moet zijn om de tekst te kunnen volgen. Zomaar een passage: ‘De nood was hoog geweest, na de Val van Antwerpen. Met zo’n briljante Parma die in het zuiden korte metten maakte met de Opstand. Het Verdrag van Nonesuch voorzag in militaire hulp. De hulp heette Leicester - langjarige vertrouweling van Elizabeth.’

Wie wie is en wat wat in zo’n zin moet je er zelf bij googlen of Winkler Prinsen. Met de zoekmachine binnen handbereik steek je dus heus wat op over Oldenbarnevelt. Maar de magere romanprestatie die De advocaat van Holland is komt ook tot uiting in het tamelijk duffe taaltje, dat vol staat met constructies als ‘het beramen van zetten was zijn lust en zijn leven’ of ‘hier tapt hij uit een ander vaatje’.