Maartse regen kwam net op tijd voor de smachtende natuur

Vroege lente De hoge temperaturen van februari hebben de lente al doen ontluiken. Als de rupsen al vroeg verpoppen, krijgen mezen moeite hun jongen te voeden.

Het eerste kievitsei van 2019, gevonden op 28 februari in Vegelinsoord.
Het eerste kievitsei van 2019, gevonden op 28 februari in Vegelinsoord. Foto Siese Veenstra/ANP

Eenentachtig teken had bioloog Arnold van Vliet van Wageningen University te pakken, op een stuk bos van nog geen vijftig meter. Gelukkig niet op zijn lijf, maar op het doek dat hij achter zich aansleepte. Al zeven jaar houdt Van Vliet op de website Tekenradar bij hoeveel tekenbeten Nederlanders registreren, en in de laatste week van februari lag dat aantal opeens ver boven het gemiddelde voor die periode.

Natuurlijk, het kónden overijverige vrijwilligers zijn die met hun waarnemingen zorgden voor een plotselinge piek, maar aannemelijker was dat de uitzonderlijke temperaturen een rol speelden: in De Bilt had het KNMI al twee achtereenvolgende dagen temperaturen boven de 18 graden Celsius geregistreerd.

Zijn vaste sleeprondje

En dus nam Van Vliet de proef op de som, en liep hij zijn vaste sleeprondje. De oogst: tientallen tekenlarven – „het allerkleinste stadium, die hebben nog nooit bloed geproefd” – en een paar nimfen, die vorig jaar hun eerste bloedmaaltijd al achter de kiezen hadden.

Eenentachtig teken zijn geen normale aantallen voor eind februari, benadrukt Van Vliet voor de zekerheid. „Eerder voor begin mei.” Ook de temperatuur paste eerder bij april of mei dan bij februari, berichtte het KNMI op de eigen website. Nog nooit werd in de winter zo’n hoge temperatuur geregistreerd als op 27 februari: toen was het in Arcen 20,5 graden Celsius. De luchttemperatuur lag in februari gemiddeld 2,8 graden Celsius hoger dan normaal.

Het waren die hoge temperaturen die de teken de grond uitdreven, zegt Van Vliet. „Bij een gemiddelde temperatuur van 5 graden Celsius komen ze al tevoorschijn. ’s Nachts kunnen ze zich bij kou nog terugtrekken in de grond, maar overdag loop je nu zeker alweer risico op een tekenbeet.”

Hoe kwam het zo warm? Wat voor gevolgen hebben die vroege voorjaarstemperaturen voor de natuur? En speelt de extreme droogte van afgelopen zomer daarbij ook nog een rol?

Milde zuidenwind

Om met die eerste vraag te beginnen: de hoge temperaturen waren het gevolg van een stabiel hogedrukgebied boven Midden-Europa in combinatie met warme wind vanuit het zuiden, vertelt Geert Jan van Oldenborgh, klimaatonderzoeker bij het KNMI. „Een hogedrukgebied meer naar het noorden, boven Scandinavië, had juist voor extreme kou kunnen zorgen. Dat hadden we vorig jaar: toen kwam de wind vanuit het oosten, uit Siberië. Als het koud is in februari, dan kan het ook écht heel koud worden, door die Siberische wind.” Maar nu waaide er een milde zuidenwind, en was het zonnig, waardoor de grond en daarmee ook de lucht opwarmde. „Tussen oktober en april spreken we bij het KNMI nooit van ‘warm’, maar van ‘zacht’, want de maximumtemperaturen zijn in de winter meestal niet zo extreem. Die worden bij westen- en zuidenwind bepaald door de temperatuur van de oceaan, die veel minder varieert dan de Siberische temperatuur.”

Maar nu was het in februari uitzonderlijk – niet zacht, maar echt warm, zegt Van Oldenborgh. „Hoe dat komt weten we nog niet zeker. In ieder geval is het veranderende klimaat ook van invloed. Een eeuw geleden was zo’n uitschieter vrijwel niet mogelijk geweest, maar door de algemene opwarming in Nederland schuift de bovengrens van de temperatuur ook op. Nu is zo’n extreem nog wel zeldzaam, maar niet meer onmogelijk.”

Het gaat zo geleidelijk, we blijven wennen aan nieuwe normalen

„Het gevaarlijke van die geleidelijk opschuivende grenzen is dat je steeds een nieuwe ‘normaal’ krijgt”, zegt Van Vliet. „Het KNMI beschouwt nu een februaritemperatuur van 3,3 graden Celsius als normaal, en daar zaten we dit jaar – met een gemiddelde van 6,1 graden Celsius – al flink boven. Maar als je kijkt naar vijftig jaar geleden, zie je dat de gemiddelde temperatuur in februari 1,9 graden Celsius was. Ruim vier graden verschil dus. Voor de natuur worden de temperaturen steeds extremer.”

Van Vliet begon in 2001 vanuit Wageningen University De Natuurkalender: een website waarop hij met hulp van duizenden vrijwilligers kan monitoren wanneer jaarlijks terugkerende natuurverschijnselen zich voordoen – zoals de eerste bloei, of het begin van de vogeltrek. Die fenologische kennis biedt inzicht in het effect van klimaatverandering op de natuur.

„Fenologische gebeurtenissen vinden elk jaar in een vaststaande periode plaats”, zegt Van Vliet. Of, zoals hij het verwoordt op zijn website Nature Today, waar ook De Natuurkalender is ondergebracht: „Het bosanemoontje komt tussen eind februari en april voor het eerst in bloei en de gierzwaluw komt rond Koningsdag in Nederland aan na overwintering in Afrika.”

Nóg vroegere soorten

Hoewel die gebeurtenissen binnen een bepaalde periode plaatsvinden, verschilt het precieze moment van jaar tot jaar en van plaats tot plaats. Dat kan komen door genetische variatie, maar ook door temperatuur, neerslag, hoeveelheid zon. Omdat het weer (en op langere termijn: het klimaat) zo’n belangrijke invloed heeft op de activiteit van planten en dieren, kan het de timing van fenologische gebeurtenissen beïnvloeden. „Door recente natuurwaarnemingen te vergelijken met die van vijftig jaar geleden, zien we dat veel planten en dieren in de afgelopen jaren drie tot zelfs vier weken eerder actief werden dan destijds”, zegt Van Vliet. „En dit jaar zijn sommige soorten dus nóg vroeger.”

Naast de teken waren ook veel insecten al actief in februari – zo ontwaakten vlindersoorten als dagpauwoog, kleine vos, gehakkelde aurelia en citroenvlinder uit hun winterslaap. Omdat ze als volwassen vlinder overwinteren, en niet als eitje, rups of pop, worden ze bij de eerste zonnige dagen al snel actief.

Het eerste kievitsei

In tuinen en parken begonnen de eerste sleedoorns al te bloeien, en zelfs de buxusmotrups, die vorig jaar veel buxusstruiken om zeep hielp, is alweer gesignaleerd. In zachte winters zoals deze overwinteren kieviten massaal in Nederland, en in Friesland werd het eerste kievitsei dit jaar al in februari gevonden in plaats van in maart. Een primeur, volgens de statistieken van het Compendium voor de Leefomgeving.

In hoeverre is dat nadelig voor de natuur? „Dat hangt ervan af naar welke soorten je kijkt”, zegt Van Vliet. „Sommige planten, vogels en insecten krijgen een forse klap, andere bloeien juist op door zachte winters. Zilverreigers bijvoorbeeld zijn warmteminnend – die zag je voor 1990 zelden, nu zijn ze algemeen. En ook ijsvogels profiteren in weerwil van hun naam van een niet te strenge winter – die zijn honkvast, en verhongeren bij een te lange vorstperiode.”

Mediterraan draaigatje

Sommige Zuid-Europese soorten worden steeds regelmatiger in Nederland waargenomen: bepaalde exotische vissen, vogels als de bijeneter, insecten als de vuurwants en de malvawants. „En een mierensoort als het mediterrane draaigatje wint enorm snel aan terrein.”

Tegenover die nieuwkomers staan veel inheemse soorten, die minder makkelijk meebewegen met klimaatveranderingen. Van Vliet: „Vogels vervroegen wel wat met hun eilegdatum, of met hun terugkomdatum als ze in het buitenland overwinteren, maar dat is niet altijd afdoende.”

Zeker niet omdat veel insecten sneller reageren op warme temperaturen dan de vogels voor wie ze als voedsel dienen. Zo ontstaan mismatches: als koolmezen en merels hun jongen willen voeden, kan het zijn dat rupsen al verpopt zijn tot vlinder, met voedselschaarste tot gevolg. Voor de insecten zelf is hun snellere reactie ook niet altijd voordelig. Van Vliet: „Door de hoge temperaturen worden ze eerder wakker uit hun winterrust, en daardoor is hun basisverbranding hoger. Ze hebben nectar nodig, maar nog lang niet alle bloemen staan in bloei.”

Paddentrek al goed op gang

Ook neerslag heeft invloed op de timing in de natuur. Na de droogte van vorige zomer zijn de lage grondwaterstanden nog niet overal in het land hersteld, vertelt Dirk-Siert Schoonman, bestuurslid van de Unie van Waterschappen en heemraad bij waterschap Vallei en Veluwe. „De hoge zandgronden in het oosten van het land – Twente, de Veluwe, Noord-Brabant, Limburg – zijn afhankelijk van neerslag voor hun grondwaterpeil. In het westen wordt het peil beïnvloed door de rivieraanvoer, dus daar zijn de tekorten wel aangevuld, maar in het oosten nog niet.”

Op de flanken van de Veluwe is het bijvoorbeeld nog veel te droog, zegt Van Vliet. „En droogvallende poelen zijn dramatisch voor vissen en voor waterinsecten als libellen.”

Voor amfibieën kán droogte een gunstig bijeffect hebben, zegt Raymond Creemers van RAVON. „Door de droge maanden van vorig jaar zijn veel vissen gestorven. En dus zijn er minder vijanden voor kikkers en padden.” Maar dan moet er wel water in de poelen staan, want té droog is ook voor amfibieën ongunstig. „Begin maart kwam de regen net op tijd. De paddentrek naar de voortplantingswateren is daardoor goed op gang gekomen – die blijft bij te grote droogte uit.” Vooralsnog is het evenwicht kwetsbaar, zegt Creemers. „Het blijft spannend wat de rest van het voorjaar gaat doen: blijft het regenen of niet?”

Minder regenwormen

Bomen en struiken zullen ondanks lage waterstanden in eerste instantie wel bladeren krijgen, verwacht Van Vliet. „Maar het maakt ze wel kwetsbaarder, zeker als we weer een droog voorjaar en droge zomer krijgen.”

Een droog voorjaar kan ook voor vogels nadelig zijn, zegt Van Vliet. „Voor weidevogels als grutto en kievit zijn er dan bijvoorbeeld minder regenwormen beschikbaar. Zeker in combinatie met hoge temperaturen in het vroege voorjaar kan dat voedseltekort opleveren. Als de boeren in een warm voorjaar vroeger maaien, zijn er ook minder insecten beschikbaar en kunnen jonge vogels zich minder goed verschuilen. Ze moeten dus veel sneller volwassen worden dan voorheen. Daar weegt één vroeg kievitsei niet tegenop.”

Van Vliet noemt de hoge temperaturen en de droogte een wake-upcall. Want niet alleen vogels reageren traag op klimaatverandering. Mensen óók – in ieder geval wat het nemen van maatregelen betreft. „Zulke extremen schudden ons wakker, laten zien dat we moeten anticiperen op zulke gebeurtenissen, zodat we er niet door overvallen worden. Deels gebeurt dat al, onder andere doordat sommige boeren al steeds later gaan maaien. Maar de vraag is: hoeveel extra wake-upcalls hebben we nog nodig om écht tot actie over te gaan?”

    • Gemma Venhuizen