Opinie

Boekenweekgeschenk

Marcel van Roosmalen

Vanmorgen zwaaide ik de vriendin uit. Daar ging ze dan, de moeder van mijn kinderen. Ze liep over de schrale parkeerplaats naar onze auto. Namens de Varagids op weg naar het woonhuis van boekenweekgeschenkschrijver Jan Siebelink in Gelderland. En ik, lul, vond dat allemaal maar goed. Het voelde alsof ik een heel duur visje in het voerbakje van de kat had gelegd.

Terwijl ze langzaam de Zandweg in Wormer opdraaide kwam het besef dat onze relatie misschien wel nooit meer dezelfde zou zijn.

Zeker als hij de grijze lokken met grote halen naar achteren heeft gekamd, de brillenglazen heeft gepoetst en een vlammend colbertje en bijpassende schoenen heeft aangetrokken, is Jan Siebelink ondanks zijn 81 jaar nog steeds een vrouwenmagneet. In interviews is hij daar altijd schaamteloos eerlijk over. De vrouwen tuimelen over elkaar heen, hij heeft ze voor het uitkiezen.

Zelf zegt hij dat het door zijn ‘turnerslichaam’, zijn feminiteit en zijn manier van praten komt, maar ik heb dat ook allemaal en ik word niet door meisjes gepijpt op het boekenbal. Of belaagd door vijftigplusvrouwen na een signeersessie bij boekhandel Jansen & De Feijter in de Emmastraat in Velp, waar eigenaar Walter me, terwijl hij met een hand zacht de kaft van het boek Margje streelde alsof het een lief dier was, me ooit toevertrouwde dat hij haast niet kon wachten tot Siebelink in een volgend werk weer een nieuw korstje ging afkrabben. Ja, daar verheugde hij zich enorm op, zo enorm dat ik opeens met het beeld zat van de bejaarde schrijver die vanachter zijn ovale notenhouten schrijftafel zin had om maar weer eens een interviewster te voeden met zijn vuur.

Net toen ik mezelf gerust had gesteld met de gedachte dat de vriendin van het soort was dat niet meteen in katzwijm valt bij alles wat zijn geest haar zou gaan dicteren, belde mijn moeder die als enige vrouw in Velp niet gevoelig is voor zijn charme.

Ze vroeg naar haar.

Ik zei: „Ze is er niet, ze zit bij Jan Siebelink in huis, geen grapje.”

Zij: „Nee toch! Hoe heb je dat nou kunnen goed vinden?”

Daarna, toch relativerend: „Nou ja, die man… Die doet alsof de hele Boekenweek om hem draait en in Velp geloven ze dat.”

Ik wilde zeggen dat dat ook zo is, maar ze sloot het gesprek al af.

„Ach, ze zijn gek. Die komt heus nog wel thuis, ze is een kind van de kleigrond.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.