Andreas Terlaak

Peter Buwalda: ‘Bloedbanden doen er voor mij niet toe’

Otmars zonen Dat hij ook in zijn nieuwe roman schrijft over een vader die zijn gezin achterliet, is voor Peter Buwalda niet therapeutisch. Ook al overkwam het hem ook. ‘Ik ben er nooit rancuneus over geweest. Geloof je me?’

Het is zondagavond, twee dagen voordat Otmars zonen verschijnt, Peter Buwalda’s nieuwe roman die over een machtige vader en een verlaten zoon gaat, en daarmee behoorlijk doet denken aan zijn debuut Bonita Avenue – maar dan nog beter. Ook zijn daar weer de liefdevolle stiefvader en de levensgevaarlijke jonge vrouw die speelt met seks. We praten erover bij hem thuis in Amsterdam-Noord.

Zullen we beginnen bij Bruno Schulz?

„De Poolse schrijver, verwant aan Kafka, die in zijn verhalen de vader van het jongetje Józef laat veranderen in een beest, een kakkerlak, een condor, een bromvlieg, een kreeft. Ik heb in 1996 een essay over hem geschreven in De Gids.”

Waarin je hem laat zeggen dat een schrijver altijd uit zijn jeugd put.

„Maar wel onbewust. Het is echt niet zo dat ik heb gedacht: ik ga weer over een gebroken gezin schrijven. Bij mij begint een verhaal met een kiem, een plot, en daar zoek ik een gezelschap bij. Toevallig leent het type gezin waar ik uit kom…”

Zonder vader, met een stiefvader…

„…zich daar erg goed voor.”

Toevallig.

„Ja, ik denk dat het toevallig is.” Korte stilte. „Oké, ik hoor zo vaak: kom op Peter, dat kun je wel zeggen, maar… dat mijn theorie nu inderdaad is dat je, zodra je een verhaal verzint, vanzelf bij gebeurtenissen in je jeugd uitkomt. Het zijn de zetstukken. Het is je materiaal. Personages moeten iets met elkaar te maken hebben en dan denk ik eerder aan vaders en zonen, of stiefvaders en stiefzonen, dan aan een vriendengroep. Maar dat heeft niets te maken met verwerking of zo. Ik ben juist een heel kalme… Nou ja, er zitten wel wat randjes aan.”

Toen ik jonger was moest je mij niet in één kamer zetten met iemand die ik bewonderde, want dan ging ik op in rook

Kalme wat?

„Wat ik wil zeggen is dat ik gewoon geen problemen met mijn familie heb. Maar bloedbanden doen er voor mij niet toe.”

Wat je je personages ook graag laat zeggen.

„Klopt. Ze ademen mijn idee daarover.”

En dat je in Otmars zonen weer een machtige man ten val brengt, wat moeten we daarvan denken?

„Of Hans Tromp echt ten val komt weten we nog niet, hè. Ja, ik weet het, maar jij niet. Jij moet wachten op deel twee en drie. Tromp gaat het wel heel moeilijk krijgen, haha. Héél moeilijk.”

Waarom ben je zo gefascineerd door dit type man?

„Uit bewondering. Ik ben een bewonderaar. Toen ik jonger was moest je mij niet in één kamer zetten met iemand die ik bewonderde, want dan ging ik op in rook. Een sterke verschijning, een sterke man – nu ben ik ertegen bestand, maar vroeger vond ik dat bedreigend, overweldigend. Ik denk dat mijn keuze voor zulke personages daarvandaan komt. Ik wil onderzoeken hoe je je tot zo iemand verhoudt, hoe andere personages zich tot hem verhouden, hoe ze zich gedragen in zijn bijzijn. Ik hoef hem niet per se ten val te brengen.”

Wat voor mannen konden jou in rook doen opgaan?

„Mijn judoleraar. Die was te af, te krachtig. Een gestolde persoonlijkheid, hij had zijn strepen verdiend. Ik zou hem niet graag plotseling in de trein tegenover me hebben gehad, want wie was ik dan nog geweest? Wat moest er van mij terechtkomen? In het groot had ik het natuurlijk ook met types als Philip Roth of Ludwig van Beethoven of Paul McCartney.”

Ik ben schrijver geworden omdat ik slapeloos was

En na je judoleraar?

„O, dat weet ik nog heel precies. Dat waren de docenten bij mijn studie. Nederlands zat in een oud gebouw op de Drift, in Utrecht, op een raar soort uitgestrekte verdieping waar je kwam via allerlei trappen. Als ik naar een van de hoogleraren toe moest voelde ik mijn zelfvertrouwen per tree wegebben. Ik veranderde op slag in iemand die ging falen.”

Je kwam bij natuurkunde vandaan, toch?

„Daar had ik zes weken rondgelopen. De hoogleraren bij Nederlands, allemaal mannen, waren voor mij mythische personen, een soort pausen die Gerrit Achterberg en W.F. Hermans en Gerard Reve op aarde vertegenwoordigden, en ik voelde me heel klein, want ik had een enorme achterstand. Iedereen daar was bevlogen, iedereen kende gedichten uit zijn hoofd, ook de studenten, wat een enorme status gaf, en ik had alleen nog maar De donkere kamer van Damokles gelezen en Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants. Ik wist echt helemaal van niets.”

Waarom ging je het dan doen?

„Omdat ik gefascineerd was door die twee boeken. Het was in één keer boem, raak. Ik wist in één keer: dit wil ik.”

Je biologische vader is vertrokken toen je vijf was en je laat het in interviews voorkomen alsof je daar geen herinneringen aan hebt.

„Geen gevoelens. Ik heb er geen gevoelens bij. Wel herinneringen, ze staan in Bonita Avenue. Joni ziet de verhuiswagen met de spullen van haar vader vertrekken en vraagt: wat gaat papa doen? En dan is het antwoord: papa gaat met vakantie. Zo ging het bij mij ook. Het duurt een week, twee weken, drie weken, en als die vakantie dan maar blijft voortduren en niemand praat er meer over, denk je er als vijfjarige op een gegeven moment niet meer aan, heel geestig. Die vakantie verandert in de waarheid: papa komt nooit meer terug.”

En daar voel je echt niets bij?

„Dat is te cru uitgedrukt, maar niet iets waarvoor je bij de psychiater op de bank eindigt.”

Andreas Terlaak

Ben je wel eens bij een psychiater geweest?

„Nee.” Hij lacht en aarzelt even. „Wel bij een psycholoog. Dat was toen ik slecht begon te slapen, in 1998.” Hij klopt op de houten tafel waar we aan zitten. „Ik moet het er eigenlijk niet over hebben. Ander onderwerp.”

De jonge mannen in je romans, Aaron in Bonita Avenue en Ludwig in Otmars zonen, lijden ook aan slapeloosheid.

„Dat is waar, ja.”

Zit het zo diep?

„Zeker. Ik ben schrijver geworden omdat ik slapeloos was. Ik zocht een beroep waarbij ik niet ’s morgens vroeg ergens naartoe moest. De slapeloosheid is bij mij absoluut een rode draad. Daarvoor was ik dus bij die psycholoog, maar die hielp me niet echt, en toen ben ik weer weggegaan. Er waren denk ik ook geen psychologische redenen om wakker te liggen. Ik sliep niet omdat ik mijn scriptie voor Nederlands nog moest schrijven terwijl ik al aan de postdoctorale opleiding journalistiek was begonnen, wat helemaal niet mocht. En ik had enorme studieschulden. En ik kreeg overal ruzie, echt met iedereen. Alles dreigde mis te lopen. Voor het eerst van mijn leven was ik ergens de slechtste. Niet dat ik altijd overal de beste was, maar onderaan bungelen, nee. Behalve bij de PDOJ. Ik zat daar als een zombie. Heel apart gevoel, heel leerzaam ook om mee te maken hoe er dan naar je gekeken wordt. Vol minachting.”

Zoals er ook naar Aaron gekeken wordt, die zijn studie niet heeft afgemaakt en fotograaf is bij een universiteitsblad.

„En naar Ludwig, die dan wel bij Shell werkt, net als zijn vader, maar geen carrière maakt. Dan ben je dus een loser. Het meest leerzame van de PDOJ was voor mij dat ik voelde hoe het is om het af te leggen, te verliezen. Voor het eerst dat ik het zo hardop voor mezelf formuleer.”

Wat deed het met je?

„Ik werd er heel verbeten van. Het moest gerevancheerd worden. Ook bij Nederlands, want ik was zo dom geweest om te zeggen dat ik geen echte scriptie schreef, want dat vond ik suf. Ik zou er een essay voor De Gids van maken, want dat verhaal over Bruno Schulz was goed gevallen en er was mij veel aan gelegen om dat succes te herhalen. Toen kreeg ik het vol over mijn flikker van mijn docent, die in mij iets heel arrogants bespeurde dat hard moest worden afgestraft.”

Dus die door jou zo bewonderde man…

„…schreeuwde tegen me: JIJ KUNT NIET SCHRIJVEN. Eh, Wilbert, zei ik, zullen we naar jouw kamer gaan, iedereen kan je hier horen. JIJ KUNT NIET SCHRIJVEN, DAT HEB JE MET DEZE SCRIPTIE BEWEZEN. Ik moest het overdoen. Toen had ik wat betreft waardering het laagste punt wel bereikt. Echt niemand moest mij meer, heel erg. Ik word weer gespannen als ik erover praat, fysiek gespannen. Bij de PDOJ vroegen ze me ondertussen steeds maar naar mijn scriptie. Ja, die krijgen jullie nog. Zo schlemielig allemaal.”

Wat was de kiem van Otmars zonen?

„Ik had Michaël Zeeman (de in 2009 overleden dichter, schrijver en literatuurcriticus) eens horen vertellen dat hij op jonge leeftijd gebrouilleerd was geraakt met zijn ouders en was weggegaan. Nooit meer wat van zich laten horen. Op een dag zetten die ouders de televisie aan en báf, ze krijgen de volgroeide Michaël in hun gezicht. Het moment waarop de verwekker tegenover zijn zoon staat, de plotselinge confrontatie met je eigen addergebroed, dat is het basisidee van dit boek. Ludwig moet voor zijn werk naar Sachalin, voorbij Siberië, en wordt rechtstreeks naar het kantoor geleid van de Grote Onbekende in zijn leven, die daar dan in vol ornaat zit.”

Lees ook: De nieuwe Buwalda is geweldig meeslepend en maakt hongerig naar meer (●●●●●)

Jouw biologische vader, heb je wel eens verteld, liet nooit iets van zich horen, tot de vuurwerkramp in Enschede. Toen belde hij je.

„Nee, mijn ouders. Hij belde mijn ouders om te horen of ik nog leefde.”

Hij wist dus dat je toen in Enschede woonde.

„Ja, ik vond het eigenlijk heel alert van hem. Ik had het niet verwacht.”

Je dacht niet: kennelijk geeft hij toch om me?

„Over dat soort dingen denk ik niet na.”

Omdat het te pijnlijk is?

„Helemaal niet. O, nee, ben je gek. Nee, hoor. Ik heb daar een theorie over die glashard is en heel duidelijk. Als een vader aftaait als jij vijf bent, dan is hij vader af. Dan heb je elkaar niet leren kennen al die jaren en dan is hij niet belangrijk. Oprecht niet belangrijk. Ik vind het niet erg en ook niet jammer. Het is gewoon zo.”

Je vader was longarts en hoogleraar, het type man waar jij bewondering voor hebt en je klein bij voelt.

„Voelde. Voelde. Ik heb dat niet meer. Dat is voorbij sinds ik zelf eh…”

Een man bent die zijn strepen heeft verdiend.

„Jouw woorden.”

Je zou niet de eerste zijn die er last van had, een vader die je in de steek heeft gelaten.

„Ik niet. Ik heb er geen last van. En ik denk niet dat hij me in de steek heeft gelaten. Hij stond voor een lastige klus, want er kwam al snel een nieuwe man voor mijn moeder…”

Jullie buurman, net als Siem Sigerius in Bonita Avenue.

„…en die was sportief en leuk en geïnteresseerd…”

Net als de stiefvader van Ludwig in Otmars zonen.

„…en zie je daar dan als vader nog maar eens tussen te wringen. Het is eerder tragisch geweest voor mijn vader dan dat hem iets te verwijten valt. Wat ik eraan heb overgehouden is dat ik al op jonge leeftijd de empathie heb ontwikkeld om hem te vergeven. Ik ben er nooit rancuneus over geweest. Geloof je me?”

Ik geloof je, maar je schrijft er wel de hele tijd over.

„Tuurlijk, want ik wil goeie thema’s voor mijn boeken en dit zijn goeie, doorleefde thema’s. Dat is gewoon handig, dan hoef ik niet alles te verzinnen. Daar zit niets therapeutisch bij, dat weet ik honderd procent zeker.”

Jij hebt zelf geen kinderen.

„Nee, ik schrijf.”

Mijn biologische vader was misschien bang dat dit boek over hem zou gaan, maar hij zal er snel achterkomen dat het niet het geval is

De drie kinderen van je vorige vriendin, Suzanne, verdroeg je niet.

„Jawel, hoor. Met haar dochter vond ik het juist heel erg leuk. Tussen haar en mij ontstond wel iets van wat ik me herinner van mijn stiefvader. En als de jongens mij niet hadden gezien als degene die het gezin had verstoord, wat natuurlijk wel zo was, dan was het gemakkelijker geweest. Ze waren al wat ouder en hadden met hun vader te doen, wat ik natuurlijk begreep. Maar iedereen heeft zich redelijk en vriendelijk gedragen. Het is nooit geëscaleerd.”

Je vader heeft je weer gebeld toen Bonita Avenue een succes was geworden.

„Op een dag stond hij op mijn antwoordapparaat. Dag Pèter, ge spreekt met Roger, uw vader, uw biologische vader. Het is een Vlaming, hè. Hij wilde me een brief schrijven en vroeg mijn postadres. Even nadenken hoe het verder ging. Heb ik hem teruggebeld? Ja, ik heb hem teruggebeld en toen zei ik dat ik er wel voor openstond.”

Wat schreef hij?

„Pfff, dat voert wel ver allemaal.” Hij lacht. „Ik zit het hier wel doodleuk te vertellen, maar eh… Het kwam erop neer, heel grappig, en ik begreep het ook, dat hij kennis wilde maken omdat ik me met veel bombarie in zijn leven had gemeld, via de televisie, via het boek zelf, via interviews. Er waren een paar dingetjes die hij me wilde uitleggen. Logisch. Dus toen hebben we elkaar een paar keer gezien.”

Waar?

„Bij hem thuis. Hij is hier ook een keer geweest. Op zichzelf niet vervelend, best wel prima, maar op een gegeven moment had ik er toch genoeg van. Ik bedoel, ik heb een goede band met mijn ouders, maar ik zie ze weinig, en om nou dezelfde frequentie te gaan hanteren met iemand die zich zo laat in mijn leven meldt – ik vond het onnodig.”

Jij hebt het contact verbroken?

„Ja. Ik maak het nu iets gladder dan het was. Er was ook wel wat wrevel over en weer.”

Waarover?

„God zeg.” Hij lacht. „Dat kan ik niet zeggen. Dat gaat te ver. Ik vind sowieso al dat het er te lang over gaat.”

Dat snap ik, maar jij wekt in je roman een personage tot leven dat na vijfendertig jaar het resultaat ziet van de seks die hij met Ludwigs moeder heeft gehad en…

„Ja, ja, maar het grappige is dat ik dit boek precies zo had geschreven als mijn vader me niet gebeld had. Sterker, ik was er al een heel eind mee toen hij zich meldde.”

Andreas Terlaak

De werkelijkheid haalde je roman in?

„Ja. En wat ik ook nog wil zeggen: Hans Tromp en mijn biologische vader zijn totaal andere types. Ze hebben niets met elkaar te maken. Mijn biologische vader was misschien bang dat dit boek over hem zou gaan, maar hij zal er snel achterkomen dat het niet het geval is. Zoals Bonita Avenue ook niet over hem gaat. Siem Sigerius is ook een heel ander type. En Siem Sigerius is weer heel anders dan Hans Tromp.”

Ik zou zeggen dat ze alleen in seksueel opzicht van elkaar verschillen.

„Dat is nogal wat, vind je niet? Sigerius durft niks en Hans Tromp doet wat hij wil. En zijn zoon,” – hij lacht alsof hij een grap gaat vertellen – „zijn zoon heeft ejaculatio precox, die komt te snel klaar. Niet zo fijn hoor, als je dat hebt. Heel veel mannen hebben het, schijnt.”

En als God in je eigen universum dacht jij: daar zadel ik Ludwig eens lekker mee op.

„Het heeft een functie in de roman. Het is bepalend voor wie hij is en hoe hij zich gedraagt. Dat vind ik boeiend.”

Zijn vader kan alleen een erectie krijgen als hij mept en slaat.

„Hoe weet jij dat? Dat denkt Isabelle. Maar oké, misschien heeft ze gelijk. In ieder geval heeft Hans Tromp het uitstekend voor elkaar. Door zijn positie kan hij het krijgen zoals hij het hebben wil. Hij heeft er de aantrekkingskracht voor en het zelfvertrouwen, en dat wordt alleen maar sterker door zijn prestaties in bed. Je moet ze de kost niet geven, mannen bij wie het zo gaat. Een Strauss-Kahn, een R. Kelly. Ik denk dat het trouwens maar één gen is waarin Ludwig en zijn vader van elkaar verschillen. Eén gen en je krijgt twee totaal andere mannen, dat is toch interessant?”

Heb je plezier beleefd aan het beschrijven van de sm-scène met Hans Tromp en Isabelle?

„Het onvermogen van Ludwig vond ik leuker om te doen. Plezierige seks is vaak niet te hachelen als je erover leest. Gestuntel is dankbaarder. Sowieso heb ik nooit veel plezier tijdens het schrijven, hoor. Het vooral zweten en balen.” Hij doet alsof hij typt en wist, typt en wist. „Zo? Hm, nee, toch niet. Zo dan? Nee, ook niet. Zo? Etcetera.”

En al die beelden die je verzint, de metaforen, alsof je een dichter bent, doe je daar lang over?

„Nee, die komen vanzelf, te snel en te veel soms, en dan moet ik schrappen, anders wordt het een kermis, een Jamin. Als de stijl en de toon je niet vanzelf komen aanwaaien, wordt het een lastige exercitie. De tijd gaat zitten in de compositie, de structuur, het in elkaar knutselen van het verhaal. Dat is geen talent, dat is ambacht.”

Ben je al ver met deel twee?

„Daar ligt het.” Hij wijst naar het enorme pak papier dat op tafel ligt. „Maar ik ga nog heel veel schaven, haha. Héél veel.”