Recensie

Recensie Muziek

Van Zweden serveert met KCO subtiele staalkaart van kleuren

Dirigent Jaap van Zweden springt deze week in voor Daniele Gatti in Mahlers Zevende symfonie. Met het Koninklijk Concertgebouworkest bracht hij nog geen ideale uitvoering, maar er werd imposant, ritmisch strak en alert gespeeld.

Het Koninklijk Concertgebouworkest bij een eerder concert o.l.v. Jaap van Zweden.
Het Koninklijk Concertgebouworkest bij een eerder concert o.l.v. Jaap van Zweden. Foto Mladen Pikulic

Wie rouwt, zoekt rust. Maar als de rouwende partij het Koninklijk Concertgebouworkest is, nog naschuddend van het ontslag van chef Daniele Gatti, is rust een utopie. Iedereen heeft een mening over wie de nieuwe chef-dirigent moet worden.

Voor Joop van den Ende, afgelopen zondag bij tv-programma Podium Witteman, is het duidelijk: Jaap van Zweden, tot 1995 concertmeester van het orkest, is de Amsterdamse droomchef. Maar het Concertgebouworkest zal geen besluit overhaasten: het wil zich bezinnen, rondkijken, de cirkel vergroten. En omdat het topdirigentenaanbod juist nu schaars is (velen zitten vast of zijn net ergens benoemd) is een tussenoplossing, met een handvol specialisten voor verschillende repertoirehoeken, ook niet ondenkbaar.

Intussen draait het seizoen door en vroeg het orkest Van Zweden deze week voor Gatti in te springen in Mahlers Zevende symfonie. Aan het welkomstapplaus vooraf voelde je woensdagavond dat het Amsterdamse publiek Van Zweden koestert; dat besef moet als een warm bad zijn geweest. En toch werd het nog geen ideale uitvoering van Mahlers weerbarstige, versplinterde Zevende, door Gatti’s voorganger Mariss Jansons recent zeer overtuigend met het orkest op cd vastgelegd.

Van Zweden, door New York omarmd als kersverse chef en aan de vooravond van een nieuw prachtseizoen aldaar, is behalve een zeer ervaren Mahler-dirigent ook een perfectionist, een analyticus en een man met groot gevoel voor theatrale zeggingskracht.

Lees ook het interview met Jaap van Zweden als nieuwe chef-dirigent van het New York Philharmonic: ‘Ik wil in New York met een uitroepteken beginnen’

Sierlijke slag

In de eerste van drie uitvoeringen van Mahlers Zevende symfonie versterkten die eigenschappen elkaar nog niet voortdurend. Je zag, hoorde en voelde tachtig minuten lang hoe alle wendingen de aandacht kregen die ze verdienden, hoe bogen weloverwogen werden op- en afgebouwd en Van Zweden met zijn sierlijke slag al die ideeën tot in de finesses aangaf. Maar hoewel imposant, ritmisch strak en alert gespeeld en virtuoos collectief gefraseerd, miste je overkoepelend de nodige ontspanning.

Er waren indrukwekkende inzetten, zoals van de tenorhoorn aan het begin: daar blies meteen een New Yorkse (of gewoon Amsterdamse) lef het Concertgebouw in. Het orkest speelde sowieso sterk en toegewijd: liefdevol zangerig soms, sfeervol klezmerend, waar nodig zeer exuberant. In de eerste Nachtmusik serveerde Van Zweden een subtiele staalkaart van kleuren, inclusief prachtig zacht gespeelde natuurevocatie aan het slot.

Rollercoaster

En zo zou je nog talloze fraaie en indrukwekkende details kunnen noemen. Maar de Zevende is op zichzelf al een rollercoaster van ideeën en gemoedstoestanden: soms snakte je naar de momenten van ontlading die nu door de spanning van het moment leken te worden afgevlakt.

Wie zondag naar de radio luistert, hoort de uitvoering van vrijdag. Dikke kans dat ontspanning en ontlading er dan wel zijn. Aan de som der delen lag het nu ook al niet.