Recensie

Recensie Boeken

De nieuwe Buwalda is geweldig meeslepend en maakt hongerig naar meer (●●●●●)

Peter Buwalda In zijn langverwachte tweede roman maakt Peter Buwalda de verwachtingen waar. Het lijkt een soort vliegveldthriller, waarin machtige en smerige mannen ten val komen. Dit boek maakt hongerig naar meer. (●●●●●)

'Op vrijwel alle punten overtreft dit boek Bonita Avenue.'
'Op vrijwel alle punten overtreft dit boek Bonita Avenue.' Foto Andreas Terlaak

Zes jaar geleden maakte Peter Buwalda (1971) een van de interessantste opmerkingen over het literaire klimaat van onze tijd – en zijn eigen schrijverschap. In zijn Kellendonklezing in 2013, over de mediapersoonlijkheid die een bekende schrijver tegenwoordig altijd is, merkte hij op dat successchrijvers op nog een andere manier publiek bezit zijn. De lezende meute sluit ongevraagd een ‘contract’ met de schrijver. Want een lezer wenst een opvolger van de bestseller, geen andere literaire afslag alsjeblieft.

Zo’n contract, ‘dat ligt er nu eenmaal’, zei Buwalda, ook bij hem als schrijver van Bonita Avenue (2010): ‘Ik sta al twee jaar op het bordes van mijn boek tegenover een fakkeldragende menigte.’ Dus zijn lumineuze idee voor een ‘Proustiaanse western over Elvis en Dvorak’ verdween in de koelkast. Dat kon zijn vijfde boek worden. Werd het zijn tweede boek, dan zou dat contractbreuk betekenen. Buwalda verzuchtte nog: ‘Een tijdje heb ik het mezelf kwalijk genomen. Was ik niet te berekenend? Hoezo lezers?’ Maar dat stemmetje werd verbannen naar zijn achterhoofd, hij ging werken aan een tweede roman ‘die dichter bij Bonita Avenue zou staan […] en die me de kans bood om mezelf te verbeteren op de in mijn debuut ingeslagen weg’.

En zo geschiedde, zie het deze week verschenen Otmars zonen. Maar: sinds de montere lezing verstreken er wel zes jaren. Misschien omdat het voorgenomen boek er toch niet helemaal kwam, omdat het soort-van-vijfde boek zich alsnog opdrong? Mogelijk worstelde hij met dat contract. Vreesde hij dat het toch – in de Kellendonklezing klonk het als een vies woord – ‘weerbarstig’ zou worden.

Terreur van de penis

Hoewel Otmars zonen uiteindelijk op vrijwel alle punten Bonita Avenue overtreft en aanvankelijke twijfels briljant tenietdoet, begint het weerbarstig. Het was het al op voorhand: Otmars zonen werd aangekondigd als het eerste deel van een trilogie. Deel één telt 600 pagina’s – niet bepaald een laagdrempelige kennismaking. Het is ook niet dat je er meteen lekker in zit, in deze roman. Onze hoofdpersoon, Shell-werknemer Ludwig Smit, zit in de eerste tientallen bladzijden op het Siberische eiland Sachalin te wachten tot zijn taxi vertrekt en denkt onderwijl terug aan zijn jeugd. Aan zijn stiefvader, diens veeleisende opvoeding van zijn stiefzus en stiefbroer, beiden getalenteerde en enigszins verknipte musici in de dop. Later blijkt wel dat die voorgeschiedenis allesbehalve overbodig is, maar nu doen de flashbacks, terwijl er in het heden niets gebeurt, nog geforceerd aan.

De personages, met hun extreme karakters, kunnen nog niet heel erg boeien, net zomin als de hoofdpersoon: wat is zijn probleem, zijn streven? Bovendien lijkt de inzet van het verhaal al makkelijk uit te tekenen. ‘Wat psychiaters tegen fikse tarieven een Vatersuche noemen, is niet aan de orde’, staat in de openingszin, ja ja, ‘niet aan de orde’, wink wink, nudge nudge natuurlijk. Voeg daarbij de eerste ontmoeting van onze hoofdpersoon met zijn stiefvader Otmar (moeder werd door verwekker verlaten), die zijn vaderrol uitdagend en enigszins kleinerend opvat: hij laat het tienjarige jochie in zijn hand knijpen en smaalt om de kippenkracht. Tel daar het motto van feministe Andrea Dworkin bij op – ‘De symbolen van terreur zijn cliché en volkomen vertrouwd: het geweer, het mes, de bom, de vuist, enzovoort. Belangrijker is het verborgen symbool: de penis’ – en je vermoedt een verhaal over de macht van de man, over trauma’s en een val.

De terreur van de penis – verborgen? In 1981 misschien. In de literatuur vallen machtige mannen inmiddels vaker dan dat ze blijven staan. Zo ook in Bonita Avenue, dat draaide om rector magnificus Siem Sigerius die in de afgrond donderde . Dat was misschien ook het voornaamste bezwaar tegen Buwalda’s debuut. Hoe knap het ook in elkaar zat, hoe bewonderenswaardig ook de stijl: het draaide vooral om Sigerius, waarbij de verhaallijnen van diens dochter Joni en schoonzoon Aaron bleek afstaken. De vallende man bood een lekker verhaal, maar dat verhaal was ook volkomen vertrouwd.

Verwekker

Dat lijkt ook de lijn te worden van Otmars zonen, maar dat neem je gemakkelijk voor lief – waarmee Buwalda maar weer aantoont dat hoe een verhaal verteld wordt echt bepalender is dan wat er verteld wordt. Als je het verhaal van deze roman probeert samen te vatten, lijkt het een soort vliegveldthriller: Ludwig ontmoet op Sachalin een hoge Shell-pief die zijn vertrokken verwekker blijkt, hij zwijgt daarover en loopt dan Isabelle Orthel tegen het lijf. Hé, die kennen we: zij was een van de leukste bijfiguren in Bonita Avenue, toen ze als Enschedese studente de rector magnificus verleidde – toen al bezig mannen ten val te brengen. Ze was ook even de huisgenoot van Ludwig en inmiddels, ruim tien jaar later, is ze onderzoeksjournalist gespecialiseerd in olie. Zij heeft óók een verleden met de betreffende Shell-topman, Hans Tromp.

Lees ook: Peter Buwalda bij Zomergasten: vijf hoogtepunten

Gelukkig vat Buwalda niets samen. Zijn vertellen is eerder eindeloos uitweiden – een van de vele manieren waarop hij bezig is A.F.Th. van der Heijden naar de kroon te steken. Buwalda’s schrijftechniek is nog wel het indrukwekkendst aan Otmars zonen. Zo gauw als Ludwigs Vatersuche zich in volle glorie opgedrongen heeft, er dus iets op het spel staat en het verhaal op stoom is, slik je alle voorgeschiedenis als belangwekkende karaktertekening. In het heden van Sachalin gebeurt nog steeds bijzonder weinig – een ritje in een sneeuwschuiver duurt gemakkelijk 80 bladzijden, een bord borsjtsj wordt zeer langzaam leeggeslobberd, zónder af te koelen. Dat is geen bezwaar, omdat de informatiedichtheid en het verteltempo in de flashbacks zo hoog liggen, of domweg omdat ze zo goed geschreven zijn. Dat is een wonder van vertelkunst.

Buwalda kan ook meesterlijk overweg met wat ik maar een anti-spoiler zal noemen: hij kan de clou van een lang verhaal verklappen (een ‘rampzalig verlopen schrijfsessie in Londen’), zo terloops dat het je even verrast (mis ik iets?) – waarna hij alsnog de hele geschiedenis begint te vertellen. Alsof hij een bom dropt en dan terugschakelt naar het ontbijt van de straaljagerpiloot, en stap voor stap toewerkt naar de catastrofale inslag. Dat de kennis van de afloop niet fnuikend maar juist opzwepend werkt, toont Buwalda’s brille. Zijn omtrekkende bewegingen zijn van Jonathan Franzen-niveau.

Lustig tintelend

En dan zijn er nog die eigenaardige perspectiefwisselingen. Honderden pagina’s achtereen zitten we in het hoofd van een personage, maar een paar keer in het boek verplaatst Buwalda de vertelling abrupt naar een ander, binnen het bestek van een alinea. Een aanraking of priemende blik, en zwiep, weg zijn we, Ludwigs hoofd uit en Isabelles verhaal in. Zoiets kán niet, mág niet, doorgaans, maar Buwalda heeft het lef – en bij een laatste perspectiefwisseling zie je hoe betekenisvol en effectief die techniek, die Buwalda-zwiep, van pas komt.

Alleen al dat lef en dat technische vakwerk maken Otmars zonen tot een buitengewoon boek, en dan hebben we het nog niet gehad over Buwalda’s zinnen. Hij schrijft goed, vaak zeer goed. Buwalda vlecht op de juiste momenten eigenzinnige metaforen door zijn verhaal (‘Zijn dubbele penthouse lag erbij als een alinea bouquetreekspulp, badend in oranje avondlicht’), laat geen kans onbenut om een tafereel in te kleuren met een onverwacht of grappig detail én doseert dat waar nodig. De stijlfratsen die Buwalda’s Volkskrant-columns zulk lustig tintelend en vrolijk proza maken, laat hij in dit boek meer toe dan in Bonita Avenue. Slechts een handjevol zinnen in die 600 pagina’s vliegt uit de bocht; zwaarwegender zijn de voordelen van die secure zinnenboetseerderij: het verhaal is larger than life, maar die tekenende details en uitvoerige voorgeschiedenis brengen het ook terug tot geloofwaardig menselijke proporties.

Mannelijkheids-issues

Tegenover de chantageplannen en smerige olieproblematiek staan boeiende binnenwerelden: Ludwigs opvoeding en mannelijkheids-issues bepalen hem, zoals Isabelles verleden is bepaald door een ervaring met SM-seks (als getuige). De indruk die dat maakte gelóóf je, voel je mee. Het interessantst, en dat wat Otmars zonen onderscheidt van veel thrillers én Bonita Avenue, is het onderliggende verhaal, over het ten val brengen van machtige mannen – dat anders loopt dan gedacht. Hoeveel afkeer Ludwig ook voelt van zijn verwekker, hoezeer Isabelle ook gedreven wordt door wraaklust tegen de machtige Shell-man en zijn mannelijkheid, absoluut is hun haat toch niet. Er is aan Tromp ook iets onweerstaanbaars. Het verhaal van Otmars zonen is méér dan een verhaal over een vallende man.

Denk ik. Ik weet het niet zeker. Want het verhaal is niet ten einde, dit eerste deel van een trilogie eindigt abrupt. Veel hangt nog in de lucht. Alleen al de zijdelingse verhaallijn rond Ludwigs musicerende broer, die meent het verloren gegane derde deel van Beethovens pianosonate opus 111 teruggevonden te hebben: dat gegeven betekent in dit boek nog weinig, maar wordt ongetwijfeld betekenisvol in de komende delen.

Lees ook: ‘Dazzling’. Buwalda’s ‘Bonita Avenue’ geprezen in The New York Times

Zo pleegt Buwalda alsnog een soort contractbreuk. Wat zich binnen de kaften van een boek bevindt, verwacht de lezer, dient die mate van afronding te bezitten waardoor het op zichzelf kan staan. Dat kan Otmars zonen eigenlijk niet – waren er geen vervolgdelen aangekondigd, dan was de ontknoping onverteerbaar. Maar is dat uiteindelijk een bezwaar? Moet je het boek beoordelen op wat het niet is, namelijk een afgerond boek? Of op wat het wél is: een geweldig meeslepend, technisch verbluffend en intrigerend eerste deel van een trilogie?

Je voelt je na lezing even verweesd als na één seizoen van de betere tv-serie, even hongerig naar meer. Wat er in dit boek staat, kán eigenlijk niet beter – het probleem is wat er niet meer bij paste. Zo wordt na 607 bladzijden de dikte van Otmars zonen toch nog een probleem: het is duizend bladzijden te dun. Dus of het een meesterwerk is, moet nog blijken. Het contract ligt er.