Als je als bijna veertiger een eigen paard krijgt

IJslander Ze was bijna veertig, en toen kreeg Judith Eiselin het paard waarvan ze als kind al droomde.

Loá, de IJslander van Judith Eiselin.
Loá, de IJslander van Judith Eiselin. Foto Daniel Niessen

Uche, uche, klinkt het achter me, als ik een karretje voortduw door de supermarkt. Ik kijk om, recht in het gezicht van een mevrouw die haar neus dichtknijpt. Ik laat een spoor van modder achter. Net liep ik nog met een kruiwagen over een weiland, schepte drollen op en sjouwde met water. Er zit hooi in mijn haar.

Ik ben vies, en ik ben trots. Want het is, op mijn bijna veertigste, eindelijk gelukt: ik heb een paard. Een echt paard, met manen, een staart en hoeven. Nou ja, een paardje. Het stamt uit IJsland, waar de paarden net als de bomen nu eenmaal klein zijn. Maar het ademt, het beweegt en het leeft – het is een echt paard, en ik kan erop rijden.

Vanaf mijn zesde droomde ik van een eigen paard. Niet te betalen, zeiden mijn ouders. Niet voor ons soort mensen, zeiden mijn ouders. Gaat wel over, dachten mijn ouders. Ik kreeg tien lessen bij een manege en mocht op ponykamp in Drenthe, met IJslanders. Wollige, onverschrokken paarden die vrolijk op me af kwamen op het weiland en hun hoofd uit zichzelf in het halster staken. Ze wilden graag op pad. Totaal anders dan de afgetobde, bijterige paarden thuis op de manege… en precies zoals ik altijd al verzon dat het zijn kon.

Dertig jaar na het ponykamp begin ik weer met paardrijles. Bij een IJslandertrainer in de buurt kom ik erachter dat mijn ouders al die tijd ongelijk hadden. Een eigen paard hebben is wél een mogelijkheid – al durf ik het nauwelijks te geloven. Niet gehinderd door veel kennis gaan mijn man en ik op pad om een paard te kopen.

In een rijhal diep in het land stap ik op een zwart IJslandertje. Het is al opgetuigd, ik vraag me af waarom, beducht voor zaken als ‘singelnijd’ (bijten naar de buikriem die het zadel op zijn plaats houdt) of ‘kopschuwheid’ (het hoofd wegtrekken als het hoofdstel wordt omgedaan). Ik heb hierover gelezen, en weet ook dat ik straks moet nagaan of het paard zijn hoeven wel wil laten uitkrabben. Met moeite krijg ik het paardje zover een eindje te sloffen. „Zo doet ’ie anders nooit”, zegt de eigenaar, en ik weet nog niet dat elke eigenaar dat altijd zegt… Mijn man moet me meetronen, anders had ik uit pure schaamte het dier maar gekocht.

Na nog wat omzwervingen is het raak. Het paard is weliswaar niet bruinbont, zoals ik als kind verzon dat mijn paard zou zijn, maar valkkleurig (beige, met zwarte onderbenen, manen en staart), en haar manen zijn raar gekamd, maar als ik voor het eerst op haar rug zit weet ik het. Meteen. Dit voelt vertrouwd, vrolijk, veilig en vanzelfsprekend: Loá is mijn paard.

„Heeft ze ziektes?” vraag ik nog braaf volgens het boekje. De eigenaar schudt het hoofd. Ik laat Loá keuren door de dierenarts, zoals het hoort voor de aanschaf van een paard. ‘Geschikt als wandelpony,’ staat er op het rapport. Dat blijkt Vlaams te zijn voor ‘recreatiepaard’.

Geobsedeerd door weer

Via via vind ik een plek voor Loá op een boerderij bij andere IJslanders. Het is een eind weg, want ik wil dat mijn paard buiten woont: in het wild staan ook geen stalletjes. ‘Weer is nooit meer gewoon weer”, waarschuwt een vriendin die zelf paarden heeft. „Besef je wel dat je een soort boer wordt?” Ze krijgt gelijk. Na Loá’s komst raak ik geobsedeerd met het weer. Als de zon schijnt, maak ik me zorgen over hoeveel ze zweet. Als ze doorweekt raakt van de regen, vraag ik me af of ze het koud heeft. Als het vriest denk ik dat haar drinkbak dichtzit… Een paard is als een kind erbij: dag in, dag uit moet je ervoor waken dat het te eten en te drinken heeft, goed poept en plast, beweegt, gelukkig is. En je moet zijn of haar rommel opruimen.

Het hebben van een paard maakt me ook ongelukkiger dan ik ooit ben geweest

Wat voor weer het is, doet er voortaan veel toe. En tegelijk niets. Het hebben van een paard maakt me gelukkiger dan ik ooit tevoren was. Het is een wonder. We rijden door de duinen en het bos. Alle seizoenen zijn even mooi; de buitenlucht is altijd heerlijk. Onder de bomen groeit een tapijt van bloemetjes. Of paddenstoelen. Of er ligt sneeuw. Mopperen komt niet in me op. Want welke zorgen of muizenissen er voor de rest ook zijn: mijn paard relativeert alles. Ze kruit een goedmoedig soort humor mijn leven in. Ze volgt me op het land, ze houdt van dollen. Ze gooit emmers om als ik me omdraai of volgt me met mijn tas in haar mond, als een circuspaard. Daarnaast is ze erg knuffelbaar. Wanneer ik haar buik borstel, legt ze haar grote hoofd op mijn rug. Samenzijn met mijn paard wordt doodgewoon en blijft tegelijkertijd magisch. Als ik op haar rijd hoef ik er maar aan te denken te versnellen, dan gaat ze al harder lopen. Boven de sloot waarlangs we rijden, vliegt bliksemblauw een ijsvogeltje.

Maar het hebben van een paard maakt me ook ongelukkiger dan ik ooit ben geweest. Wat een zorgen komen er ineens bij in mijn leven. Loá blijkt extreem koliekgevoelig, en wordt twaalf keer binnen twee jaar doodziek. Ik ben op dat moment nog te onervaren om te begrijpen dat het door het kuilgras komt, het in plastic verpakte hooi dat de paarden bij deze boer krijgen. Ook heeft ze elke zomer jeuk, omdat ze allergisch is voor de beten van knutjes. Ik hannes met dekens, zalfjes, olie. Niets helpt echt. Het kost allemaal klauwen met geld, en dat terwijl in pension staan bij een boer en alle zorg zelf doen, de goedkoopste manier is van een paard houden.

Conflicten over het heilige paardje

Boeren zijn dikwijls heel aardig, maar hebben wel een andere mentaliteit dan de stadsmens die één heilig paardje heeft, zoals ik. Dit leidt al gauw tot conflicten, over hoeveel hooi er gevoerd mag worden bijvoorbeeld. Of over draden van de omheining die losliggen. Ik verhuis een aantal keer van stal.

Behalve met diverse boeren, krijg ik te maken met de dierenarts, de paardentandarts en de smid. Loá moet ongeveer driemaal per jaar bekapt worden, een soort nagelknip- en vijlbeurt. Een smid heeft doorgaans veel verstand van paarden, maar kan ook erg zweverig zijn. Tot tweemaal toe tref ik een ‘heldervoelende’ smid die zonder toestemming te vragen met wichelroedes en pendels boven mijn merrie staat te zwaaien.

Foto Daniel Niessen

Op elke stal maak ik vriendinnen. Het is mooi hoe de liefde voor paarden heel diverse mensen verenigt. Spullen en zorgen worden al gauw gedeeld. Tegelijkertijd lopen spanningen tussen vrouwen op stallen ook snel hoog op. Iedereen vindt iets van iedereen, van hoe een ander met zijn paard omgaat, en praat daar onderling over. Krijgt Binky wel genoeg biks, heeft Jody wel het juiste beslag onder de voeten? Heb je gezien hoe Isa’s zadel schuift en wist je dat de eigenaresse van Dreumes een scherp bit gebruikt? Wat zit die eigenaar van Everlove slecht in het zadel… De gedeelde verantwoordelijkheid en interesse zorgt voor gezelligheid en verbinding, maar ook dikwijls voor argwaan en achterklap: dit is enger en benauwender dan de dode rat die eens in Loá’s waterbak dreef.

Tien jaar nadat ik Loá kocht, wordt ze kreupel. De dierenarts constateert de veel voorkomende oude-paardenziekte ‘PPID’: een tumor op de hypofyse. Een operatie bestaat niet, wel een medicijn dat de symptomen onderdrukt. Maar Loá komt niet meer op conditie en raakt steeds opnieuw kreupel. Na drie kreupelheden vind ik het welletjes.

Ik besluit haar voor een laatste maal te verhuizen. Ik zoek een plek met ruimte, stro, zand, beschutting, gras, lucht, licht en water, waar de paarden zoveel mogelijk in vrijheid leven. In een prachtig paardenrusthuis in Berkhout. Als ik Loá daar opzoek, komt ze naar me toe, maar niet meer zo van harte als vroeger. Ze hoort daar nu, paard tussen de paarden, met de kudde, in de natuur. Ik mis haar. Maar wat is het mooi geweest. Ik had een paard.